Sturing in het Groninger WelzijnslandWicher Pattje In de vergadering van de raadscommissie Zorg en Beheer van 22 oktober
is het vraagstuk van de sturing van welzijnsactiviteiten in de welzijnsaccommodaties
nadrukkelijk aan de orde geweest. Ik heb aangegeven dat ik voor de
commissievergadering van 5 november twee vra-gen nog schriftelijk
zou beantwoorden.
De vraag welke activiteiten er in welzijnsaccommodaties zouden moeten
plaatsvinden en wie dat zou moeten bepalen, kan het best worden beantwoord
door hem te splitsen in tweeën: de basisvoorziening Als de vraag is geïnventariseerd, is het in eerste aanleg aan het accommodatiebestuur en zijn vrijwilligers om te bepalen hoe de vraag moet worden omgezet in activiteiten. Daarvoor gel-den alleen de kaders die we in het budgetfinancieringcontract zullen vastleggen. Bij de evaluatie van het basisaanbod gaat het er om te bepalen of
de omzetting van vraag naar activiteiten adequaat is gebeurd of het
accommodatiebestuur ook daadwerkelijk in geslaagd is de voorgenomen
activiteiten te organiseren. De rol van het gemeentebestuur is in onze ogen bij de basisvoorziening
vrij beperkt. Wij sub-sidiëren de accommodatie, dat betekent
dat we exploitatie (beschikbaarheid, verzekering, aan-tal uren openstelling,
energiekosten etc.), beheer en onderhoud veilig stellen. Indien gewenst
bieden we de helpende hand door middel van stadsdeel- en wijkcoördinatoren
bij vraagbepa-ling en bepaling van het activiteitenaanbod. De voorwaarden die wij stellen aan subsidiëring van accommodaties zullen (naast een correc-te administratieve verantwoording) vooral betrekking hebben op algemene toegankelijkheid, het bedienen van zoveel mogelijk groepen inwoners uit het verzorgingsgebied, het participe-ren in nieuwe initiatieven in het gebied, die onderdak gebracht moeten worden etc. De alge-mene kaders daarvoor zullen we in de herziene verordening op accommodaties vastleggen. We kunnen uiteraard daarnaast aan specifieke basisvoorzieningen ook nog specifieke subsi-dievoorwaarden meegeven. We zullen die subsidievoorwaarden neerleggen in het budgetfi-nancieringcontract dat we met iedere basisvoorziening (en trouwens ook met ieder plusvoor-ziening) zullen afsluiten.
De vraagbepaling gebeurt hier op basis van een sociale wijkanalyse
van het betreffende wijk-vernieuwingsgebied. Ook hier proberen we
de vraag “breed” op te halen: naast gesprekken met bewoners,
bewonersorganisaties en accommodatiebesturen willen we ook professionals
die in de wijk werken aan het woord laten: medewerkers van Wing,
MJD, politie, meldpunt-functionarissen, GGD, Thuiszorg, Jeugdzorg,
stadsdeelcoördinatoren en wijkcoördinatoren. In de nota over Partners in Welzijn hebben we voorgesteld om over
de sociale wijkanalyses op stadsdeelniveau werkconferenties te houden,
waarbij we ook raadsleden willen uitnodigen. Voor de goede orde: dit is iets anders (en veel minder arbeidsintensief en ook veel minder detaillistisch) dan wat samen met raadsleden in de vorige collegeperiode is gebeurd. Het ging toen om het oefenen met opdrachtverlening en met het indienen van offertes. In de praktijk kwam dat neer op het beoordelen van een hele uitgebreide lijst van “welzijnsproducten”. Een leerzaam, maar tijdrovend proces. In ons voorstel gaat het om het bepalen van de inzet van welzijnswerk in bepaalde gebieden met het oog op het aanpakken van een aantal maatschappelijke problemen. Het gaat dan voor-al om de vraag “wat” we gaan aanpakken, niet om “hoe” we dat gaan doen. Die vertaling van “wat” naar “hoe” is een verantwoordelijkheid van instellingen voor welzijn en zorg. Zij moeten eigenlijk al tijdens de analyse met elkaar te zoeken naar de aangrijpings-punten voor een aanpak. Ook moet ze bepalen welke instellingen, al dan niet in samenwer-king met elkaar, de juiste expertise in huis hebben om die aanpak effectief te laten zijn en te laten uitmonden in activiteiten of een hulpverleningsaanbod. Vervolgens is er de vraag wat de inzet van welzijnswerkers en hulpverleners
mag kosten. Daarvoor is in het project Partners in Welzijn de kostprijssystematiek
ontwikkeld. De laatste twee jaren is veel tijd gestoken in het gezamenlijk
tussen gemeente en instellingen uitdiscus-siëren van de opbouw
van de kostprijs. Die tijdsinvestering heeft resultaat gehad: gemeente
en instellingen, in ieder geval MJD en Wing, zijn het er nu over
eens wat een uur agogisch werk en een uur hulpverlening kost. De gemeenteraad komt in ieder geval op drie momenten in beeld: De evaluatie van de plusvoorzieningen is niet alleen een zaak van de gemeenteraad. Ook door de bewoners(organisaties) in de wijkvernieuwingsgebieden moet worden vastgesteld of de activiteiten in de plussfeer adequaat zijn geweest.
Dit overleg heeft ook tot doel om voor alle activiteiten, zowel in de basis als in de plus, vast te stellen in welke accommodatie ze zullen plaatsvinden. De afspraken die in dit overleg worden gemaakt zijn bindend voor de accommodatiebesturen. Dit is in principe op overeenstemming gericht overleg, waarbij geldt dat iedere accommodatie is gehouden naar vermogen bij te dra-gen in het onderdak brengen van basis, maar ook van plus-activiteiten.
Wat maakt nu dat we denken dat het hierboven voorgestelde model
meer kans van slagen heeft dan in het verleden. Verder is het zo dat we inmiddels veel meer ervaring hebben opgedaan.
De vraagverkenning hebben we bijvoorbeeld steeds beter onder de knie
gekregen door projecten als Onze Buurt Aan Zet (OBAZ), Heel de Buurt,
maar bijvoorbeeld ook door de analyse van de jeugdvoor-zieningen
in NoordWest. Als het gaat om het maken van wijkanalyses hebben we
veel geleerd bij het maken van de eerste sociale wijkvisie in Beijum-Oost
en de in de maak zijnde sociale wijkvisie Indische Buurt. Dit soort
ervaringen willen we uitbouwen, breder en in versterkte mate toe
gaan passen. Vervolgens is er de ervaring van de afgelopen jaren in het project Partners in Welzijn. Welis-waar hebben we daar de afgelopen tijd wat minder aandacht besteed aan de partner “wijk” maar dat betekent niet dat er niks gebeurd is. Wat gemeente en welzijnsinstellingen de laatste drie jaar vooral veel beter hebben geleerd is om de vraag te vertalen naar concrete resultaten en producten met daarbij een prijs. De directeur van de MJD heeft daar tijdens de hoorzitting ook nog eens met nadruk op gewezen. Natuurlijk kan dat proces nog beter, maar we zijn op de goede weg. Dat proces willen we verder uitbouwen naar resultaatgerichte contractfinancie-ring voor in ieder geval voor sociaal-cultureel werk maar vervolgens voor veel meer werk-soorten. Het leidt in ieder geval in deze werksoort tot de formulering van een helder doel, een helder geformuleerd resultaat, duidelijk benoemde meetpunten onderweg en een veel grotere aanspreekbaarheid op elkaars rol in het proces. Dit alles is natuurlijk geen garantie dat het nu wel goed gaat. Maar met een gezonde dosis nuchterheid durven we te zeggen dat er meer succesfactoren aanwezig zijn dan in eerdere jaren. We hebben meer ervaring opgedaan en vooral: we hebben geleerd van onze fouten.
|