Sturing in het Groninger Welzijnsland

Wicher Pattje
wethouder welzijn

In de vergadering van de raadscommissie Zorg en Beheer van 22 oktober is het vraagstuk van de sturing van welzijnsactiviteiten in de welzijnsaccommodaties nadrukkelijk aan de orde geweest. Ik heb aangegeven dat ik voor de commissievergadering van 5 november twee vra-gen nog schriftelijk zou beantwoorden.
a. Hoe ziet het college de relatie tussen vraagverkenning, de wijkanalyse, de plangroep en het eventuele WIG-overleg op wijkniveau? Ik noem dit de sturingsvraag in het ste-delijk welzijnsbeleid
b. Waarop baseert het college het vertrouwen dat het nu geschetste model beter gaat functioneren dan in de laatste drie jaren of zelfs de laatste acht jaren het geval is ge-weest? Anders gezegd: wat zijn nu de veronderstelde succesfactoren?


a. De sturingsvraag

De vraag welke activiteiten er in welzijnsaccommodaties zouden moeten plaatsvinden en wie dat zou moeten bepalen, kan het best worden beantwoord door hem te splitsen in tweeën:
Allereerst gaat het om de vraag hoe het programma van de algemeen toegankelijke activitei-ten in basisvoorzieningen tot stand komt.
Ten tweede gaat het er om te bepalen welke activiteiten in de plus-voorzieningen in een be-paald verzorgingsgebied moeten worden aangeboden. Dat zijn dus de activiteiten die voort-komen uit het beleid vanuit de Sociale Pijler.

de basisvoorziening
De vraagbepaling voor de basisvoorziening komt tot stand door gesprekken met bewoners, bewonersorganisaties, verenigingen in het verzorgingsgebied, actief kader van vrijwilligers en professionals die in het verzorgingsgebied werkzaam zijn. Die gesprekken hebben zowel be-trekking op de vraag hoe de leefbaarheid in het verzorgingsgebied kan worden vergroot, als op het inventariseren van wensen die bij bewoners leven op het gebied van ontmoeting, recre-atie en educatie. De vraagbepaling moet naar ons oordeel een samenspel zijn van de accom-modatiebesturen en het opbouwwerk. We denken dat dit gewoon de opbouwwerkers van Wing kunnen zijn. Binnen de praktijk zoals we die nu kennen hebben wij zeker geen voorkeur voor de ten opzichte van Wing “onafhankelijke samenlevingopbouwers”, zoals door het BBOG (in van Loopplank tot Brug) worden voorgesteld. Ik verwijs graag naar de onafhanke-lijke wijze waarop de huidige opbouwwerkers van Wing in bijvoorbeeld Corpus den Hoorn (Heel de Buurt), de Tuinwijk en Beijum-Oost hun werk doen.

Als de vraag is geïnventariseerd, is het in eerste aanleg aan het accommodatiebestuur en zijn vrijwilligers om te bepalen hoe de vraag moet worden omgezet in activiteiten. Daarvoor gel-den alleen de kaders die we in het budgetfinancieringcontract zullen vastleggen.

Bij de evaluatie van het basisaanbod gaat het er om te bepalen of de omzetting van vraag naar activiteiten adequaat is gebeurd of het accommodatiebestuur ook daadwerkelijk in geslaagd is de voorgenomen activiteiten te organiseren.
De evaluatie geschiedt naar ons oordeel door in principe dezelfde groep mensen en organisa-ties, die ook bij de vraagbepaling betrokken was.

De rol van het gemeentebestuur is in onze ogen bij de basisvoorziening vrij beperkt. Wij sub-sidiëren de accommodatie, dat betekent dat we exploitatie (beschikbaarheid, verzekering, aan-tal uren openstelling, energiekosten etc.), beheer en onderhoud veilig stellen. Indien gewenst bieden we de helpende hand door middel van stadsdeel- en wijkcoördinatoren bij vraagbepa-ling en bepaling van het activiteitenaanbod.
Verder zijn we als subsidiegever de instantie waarbij de accommodatiebesturen zich moeten verantwoorden over hun besteding van subsidiegelden.

De voorwaarden die wij stellen aan subsidiëring van accommodaties zullen (naast een correc-te administratieve verantwoording) vooral betrekking hebben op algemene toegankelijkheid, het bedienen van zoveel mogelijk groepen inwoners uit het verzorgingsgebied, het participe-ren in nieuwe initiatieven in het gebied, die onderdak gebracht moeten worden etc. De alge-mene kaders daarvoor zullen we in de herziene verordening op accommodaties vastleggen. We kunnen uiteraard daarnaast aan specifieke basisvoorzieningen ook nog specifieke subsi-dievoorwaarden meegeven. We zullen die subsidievoorwaarden neerleggen in het budgetfi-nancieringcontract dat we met iedere basisvoorziening (en trouwens ook met ieder plusvoor-ziening) zullen afsluiten.


de plusvoorzieningen
Speelt het gemeentebestuur bij de basisvoorziening een vrij beperkte rol, anders ligt het bij de plusvoorzieningen. Dan gaat het om welzijnsbeleid en soms ook zorgbeleid op basis van de Sociale Pijler. Dan hebben we het dan over activiteiten in de wijkvernieuwingsgebieden, die bedoeld zijn om achterstanden te reduceren en die meestal gericht zijn op specifieke doel-groepen, waarover wij ons in het kader van de Sociale Pijler meer dan gemiddeld zorgen ma-ken. We noemen als voorbeelden opvoedingsondersteuning voor jonge, vaak allochtone moe-ders, opvangvoorzieningen voor risicojongeren, voorzieningen voor het tegengaan van sociaal isolement van alleenstaande ouderen.
Het gaat hier bijna altijd om activiteiten waarbij professionals van welzijns- en/of zorginstel-lingen zijn betrokken, al dan niet met inzet van vrijwilligers.

De vraagbepaling gebeurt hier op basis van een sociale wijkanalyse van het betreffende wijk-vernieuwingsgebied. Ook hier proberen we de vraag “breed” op te halen: naast gesprekken met bewoners, bewonersorganisaties en accommodatiebesturen willen we ook professionals die in de wijk werken aan het woord laten: medewerkers van Wing, MJD, politie, meldpunt-functionarissen, GGD, Thuiszorg, Jeugdzorg, stadsdeelcoördinatoren en wijkcoördinatoren.
Hier komt de vraagverkenning vooral neer op het benoemen van de belangrijkste problema-tiek in de wijk en op het maken van een goede analyse van de oorzaken van die problematiek. Dat kan soms een heel complex vraagstuk zijn, zeker in de vijf wijken waar we met een socia-le wijkvernieuwingsaanpak van start willen gaan.

In de nota over Partners in Welzijn hebben we voorgesteld om over de sociale wijkanalyses op stadsdeelniveau werkconferenties te houden, waarbij we ook raadsleden willen uitnodigen.
Per stadsdeel worden dan de sociale wijkanalyses besproken van de in dat stadsdeel gelegen wijkvernieuwingsgebieden. En daarbij gaat het dus om de vraag: wat zijn de belangrijkste sociale problemen in dit wijkvernieuwingsgebied en welke van die problemen willen we bij voorrang door middel van welzijns- en zorgactiviteiten aanpakken en wat willen we met die aanpak bereiken?

Voor de goede orde: dit is iets anders (en veel minder arbeidsintensief en ook veel minder detaillistisch) dan wat samen met raadsleden in de vorige collegeperiode is gebeurd. Het ging toen om het oefenen met opdrachtverlening en met het indienen van offertes. In de praktijk kwam dat neer op het beoordelen van een hele uitgebreide lijst van “welzijnsproducten”. Een leerzaam, maar tijdrovend proces.

In ons voorstel gaat het om het bepalen van de inzet van welzijnswerk in bepaalde gebieden met het oog op het aanpakken van een aantal maatschappelijke problemen. Het gaat dan voor-al om de vraag “wat” we gaan aanpakken, niet om “hoe” we dat gaan doen.

Die vertaling van “wat” naar “hoe” is een verantwoordelijkheid van instellingen voor welzijn en zorg. Zij moeten eigenlijk al tijdens de analyse met elkaar te zoeken naar de aangrijpings-punten voor een aanpak. Ook moet ze bepalen welke instellingen, al dan niet in samenwer-king met elkaar, de juiste expertise in huis hebben om die aanpak effectief te laten zijn en te laten uitmonden in activiteiten of een hulpverleningsaanbod.

Vervolgens is er de vraag wat de inzet van welzijnswerkers en hulpverleners mag kosten. Daarvoor is in het project Partners in Welzijn de kostprijssystematiek ontwikkeld. De laatste twee jaren is veel tijd gestoken in het gezamenlijk tussen gemeente en instellingen uitdiscus-siëren van de opbouw van de kostprijs. Die tijdsinvestering heeft resultaat gehad: gemeente en instellingen, in ieder geval MJD en Wing, zijn het er nu over eens wat een uur agogisch werk en een uur hulpverlening kost.
Daardoor zijn we als gemeente in staat een contractfinancieringsrelatie aan te gaan met de beide instellingen voor welzijn en zorg. Op basis van de sociale wijkanalyse vragen we hen te offreren voor de aanpak van met name genoemde problemen, gericht op een zo concreet mo-gelijk omschreven doel. Dat levert geoffreerde inzet van uren op, die gemakkelijk en eendui-dig omgerekend kan worden in een bedrag in euro’s.

De gemeenteraad komt in ieder geval op drie momenten in beeld:
Ten eerste bij het bepalen van de “wat” vraag: welke problemen, in welke wijkvernieuwings-gebieden gaan we bij voorrang aanpakken, gerichte op welke resultaten. Dit is een primair politieke afweging.
Ten tweede bij het vaststellen van de begroting als de wat vraag is vertaald in inzet van uren waarmee een bepaalde som geld gemoeid is.
Ten derde bij de vaststelling van de rekening als het gaat om het bepalen van de vraag of de afgesproken inzet is geleverd en of het resultaat is behaald.

De evaluatie van de plusvoorzieningen is niet alleen een zaak van de gemeenteraad. Ook door de bewoners(organisaties) in de wijkvernieuwingsgebieden moet worden vastgesteld of de activiteiten in de plussfeer adequaat zijn geweest.


tussentijds overleg
Zowel in de accommodatienota, als in de nota van het BBOG, wordt onderkend dat tussen-tijds overleg tussen gemeente, instellingen en wijk nodig is.
In de accommodatienota wordt daarvoor het voorstel gedaan om voor elk van de twaalf ver-zorgingsgebieden een plangroep in te stellen, in de BBOG-nota is sprake van de wijk-WIG.
De verschillen zijn in onze ogen niet principieel van aard, afgezien van de door het BBOG eerder genoemde onafhankelijke samenlevingsopbouwer. Wij geven in de plangroep de ac-commodatiebesturen wat meer zeggenschap. Het BBOG kiest voor de vertegenwoordiging van de wijk voor een delegatie uit het netwerk van bewoners, ondersteund door een opbouw-werker.
Wij denken dat deze vorm van gelijkwaardig driehoeksoverleg een prima middel is om snel antwoord te kunnen geven op nieuwe ontwikkelingen (nieuwe problemen of verheviging, maar misschien ook wel vermindering van bestaande problemen), die met name in de plus-voorzieningen van een antwoord moeten worden voorzien.

Dit overleg heeft ook tot doel om voor alle activiteiten, zowel in de basis als in de plus, vast te stellen in welke accommodatie ze zullen plaatsvinden. De afspraken die in dit overleg worden gemaakt zijn bindend voor de accommodatiebesturen. Dit is in principe op overeenstemming gericht overleg, waarbij geldt dat iedere accommodatie is gehouden naar vermogen bij te dra-gen in het onderdak brengen van basis, maar ook van plus-activiteiten.


het samengaan van twee soorten vraagverkenning
Hier boven hebben we uiteen gezet dat we in principe twee soorten vraagverkenning onder-scheiden: die voor de basis- en die voor de plus-voorziening.
In de praktijk kunnen beide vormen van vraagverkenning voor een groot deel parallel lopen, voorzover het gaat om de gesprekken met bewoners(organisaties), actief kader en vrijwilligers in de wijkvernieuwingsgebieden.
Voor de niet-wijkvernieuwingsgebieden is eigenlijk alleen de vraagverkenning voor de basis-voorzieningen aan de orde.


frequentie van de vraagverkenning
In de nota over Partners in Welzijn stellen we dat we de vraag eens in de twee jaar willen ver-kennen. Wellicht is dat bij nader inzien toch een wat al te rigide stelling.
Als het gaat om de basisvoorziening kunnen we ons voorstellen dat er eens in de vier jaren een grondige vraagverkenning wordt georganiseerd, die jaarlijks wordt bijgesteld op basis van geluiden uit het verzorgingsgebied.
Als het gaat om de plusvoorziening hangt het vooral van de dynamiek in het wijkvernieu-wingsgebied af. Eens in de twee jaren zou een mooi gemiddelde kunnen zijn, maar in overleg met de instellingen en de partners in de wijk zouden we afhankelijk van het tempo van de ontwikkelingen ook kunnen besluiten de vraagverkenning vaker of minder vaak te organise-ren, dan wel vaker of minder vaak een sociale wijkanalyse te maken.


b. De succesfactoren

Wat maakt nu dat we denken dat het hierboven voorgestelde model meer kans van slagen heeft dan in het verleden.
De belangrijkste aspect zit in het feit dat we naar ons oordeel geleerd hebben uit het verleden. We hebben in het verleden te vaak rollen toebedeeld aan groeperingen, die voor de uitvoering van die rol onvoldoende professionaliteit hadden. We doelen bijvoorbeeld op wijkplatforms, die verstrikt raakten in de verdelingsvraag van agogische uren of op het feit dat de gemeente zich niet alleen bezig heeft gehouden met de “wat-vraag”, maar zich soms ook te sterk met het “hoe” heeft bemoeid.
We hebben nu nadrukkelijk geprobeerd om ieder alleen die rol te laten spelen, die hij redelij-kerwijs ook kan uitvoeren.

Verder is het zo dat we inmiddels veel meer ervaring hebben opgedaan. De vraagverkenning hebben we bijvoorbeeld steeds beter onder de knie gekregen door projecten als Onze Buurt Aan Zet (OBAZ), Heel de Buurt, maar bijvoorbeeld ook door de analyse van de jeugdvoor-zieningen in NoordWest. Als het gaat om het maken van wijkanalyses hebben we veel geleerd bij het maken van de eerste sociale wijkvisie in Beijum-Oost en de in de maak zijnde sociale wijkvisie Indische Buurt. Dit soort ervaringen willen we uitbouwen, breder en in versterkte mate toe gaan passen.
Waar we verder de laatste jaren veel in hebben geïnvesteerd zijn de steeds intensiever sa-menwerkingsverbanden op wijkniveau, mede gestimuleerd door de Vensterscholen.

Vervolgens is er de ervaring van de afgelopen jaren in het project Partners in Welzijn. Welis-waar hebben we daar de afgelopen tijd wat minder aandacht besteed aan de partner “wijk” maar dat betekent niet dat er niks gebeurd is. Wat gemeente en welzijnsinstellingen de laatste drie jaar vooral veel beter hebben geleerd is om de vraag te vertalen naar concrete resultaten en producten met daarbij een prijs. De directeur van de MJD heeft daar tijdens de hoorzitting ook nog eens met nadruk op gewezen. Natuurlijk kan dat proces nog beter, maar we zijn op de goede weg. Dat proces willen we verder uitbouwen naar resultaatgerichte contractfinancie-ring voor in ieder geval voor sociaal-cultureel werk maar vervolgens voor veel meer werk-soorten. Het leidt in ieder geval in deze werksoort tot de formulering van een helder doel, een helder geformuleerd resultaat, duidelijk benoemde meetpunten onderweg en een veel grotere aanspreekbaarheid op elkaars rol in het proces.

Dit alles is natuurlijk geen garantie dat het nu wel goed gaat. Maar met een gezonde dosis nuchterheid durven we te zeggen dat er meer succesfactoren aanwezig zijn dan in eerdere jaren. We hebben meer ervaring opgedaan en vooral: we hebben geleerd van onze fouten.


29 oktober 2003


Wicher Pattje
wethouder welzijn