CONCEPT

INVESTEREN VOOR MENSEN EN MOGELIJKHEDEN
deelplan van de sociale pijler

Gemeente Groningen
September 2003


INHOUDSOPGAVE


1. Inleiding: de sociale filosofie in een notendop 1

2. De sociale staat van de stad 2
2.1 Landelijk beeld
2.2 Het beeld in Groningen

3. Problemen, doelen, afwegingskader en aanpak 3
3.1 Problemen en doelen
3.2 Afwegingskader
3.3 Aanpak: basisniveau voor iedereen, extra voor wie dat nodig heeft

4. Extra inspanningen: gebiedsgericht en doelgroepengericht maatwerk 6
4.1 Gebiedsgericht: concentratie op 12 wijkvernieuwingsgebieden
4.2 Doelgroepengericht

5. Het uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen 9
5.1 Onderwijs
5.2 Versterking gezond gedrag
5.3 Veiligheid
5.4 Ganashi
5.5 Uit de goot

6. Resultaatgerichte sturing 13

Bijlage 1: Uitwerking van de stadsvisiedoelen vanuit de sociale pijler


1. Inleiding: de filosofie in een notendop
Onder het motto Groningen: sterke stad, actieve Stadjers hebben we in geactualiseerde stadsvisie aangegeven dat we de komende jaren willen werken aan een beter woon- en leefklimaat.
We willen een stad waar mensen graag willen wonen en werken. Met aantrekkelijke wijken, veilig, schoon en goed onderhouden. Met goede scholen, sportvoorzieningen en gezondheidszorg. Een dynamische en veelkleurige stad, met ruimte voor nieuwkomers. Waar mensen actief zijn en meedoen, niet alleen in werk, maar ook in verenigingen, maatschappelijke organisaties en hun eigen wijk. Waar mensen een beetje naar elkaar omkijken, waar mensen worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid, maar waar ook zorg en ondersteuning is voor wie dat nodig heeft. Want een sterke stad is bij uitstek een sociale stad.

In deze nota gaat het over meedoen in de stad en in de wijk, over het vergroten van de mogelijkheden van mensen om mee te kunnen doen, en over wat we daar als overheid – samen met anderen – aan kunnen doen. Het accent ligt daarbij op mensen in achterstandssituaties. Want niet iedereen kan dat op eigen kracht. Het voorkomen en verminderen van achterstanden in mogelijkheden om deel te nemen aan de Groningse samenleving is daarom een van onze prioriteiten. De stad wordt immers gevormd door de mensen, de Stadjers zijn het menselijk kapitaal van de stad.
We willen daarom investeren in de ontwikkeling van het eigen vermogen van mensen om vorm te geven aan hun eigen leven en hun eigen kansen. We bieden niet alleen een vangnet voor mensen die dat nodig hebben, we proberen ze ook op een of andere wijze weer beter op eigen kracht te laten functioneren. In goed Gronings heet dat: empowerment: We doen dat samen met vrijwilligers, maatschappelijke instellingen en kerken. We vragen daarbij nadrukkelijk ook een eigen inzet van de betrokkenen zelf, vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
We realiseren ons dat we niet kunnen voorzien in oplossingen voor alle sociale problemen.
Wèl kunnen we ons richten op het vergroten van mogelijkheden van mensen. Dat is kort samengevat de sociale filosofie van dit college.

Vanuit deze filosofie geven we hierna aan waar wij binnen de sociale pijler de komende jaren onze prioriteiten leggen en welke aanpak we daarbij kiezen. De stadsvisie en de daarin geformuleerde doelen zijn daarbij het kader.
We beginnen met de sociale staat van de stad (par. 2). Hoe staat Groningen er voor? In paragraaf 3 beschrijven we de belangrijkste problemen in relatie tot de stadsvisiedoelen. Vervolgens kiezen we voor een aanpak waarin we een onderscheid maken tussen een basisniveau aan voorzieningen voor iedereen, met daar bovenop een pakket extra inspanningen waar dat nodig is. Voor die extra inspanningen kiezen we een gebiedsgerichte en doelgroepengerichte benadering, die we uitvoeriger beschrijven in paragraaf 4. Daarna gaan we op hoofdlijnen in op het uitvoeringsprogramma voor de komende jaren. Wat gaan we doen om de sociale doelen te realiseren? Daarbij komen kort de belangrijkste programma’s van de sociale pijler aan bod: onderwijs, versterking van gezond gedrag, veiligheid, Ganashi en ‘uit de goot’. In paragraaf 6 tenslotte gaat het over resultaatgerichte sturing. Want de stad moet merkbaar beter worden.


2. De sociale staat van de stad

2.1 Landelijke beeld
Tussen 1990 en 2002 is de leefsituatie van de Nederlandse bevolking verbeterd. Dat concludeerde het Sociaal Cultureel Planbureau in de publicatie De sociale staat van Nederland 2003.
Na 1999 profiteerden vooral groepen die vóór die tijd achterbleven, zoals ouderen, mensen met een
laag inkomen, niet werkenden, allochtonen en inwoners van grote steden. Met name de ouderen voelden zich in 2001 gezonder, hadden meer inkomen, betere woningen en namen meer deel aan het maatschappelijk leven dan hun leeftijdgenoten in het begin van de jaren negentig.
De Leefsituatie-index steeg van 100 in 1997 naar 102 in 2002. Deze index wordt samengesteld uit gegevens over onder meer gezondheid, wonen, vrije tijd, mobiliteit en participatie. Een aantal materiële aspecten scoorde hoger, wat minder goed ging het met de gezondheid, de diversiteit van
de sportieve activiteiten en de vrijetijdsbesteding. Voor geluk is het oordeel over de persoonlijke levenssfeer belangrijker dan het oordeel over de ontwikkelingen in de samenleving.
Het aandeel van de Nederlandse bevolking dat tevreden is met de regering daalde van 77% in 2000 tot 59% eind 2002.
Het percentage vrijwilligers onder de bevolking lag de afgelopen jaren vrij constant tussen de 30% en 45%, afhankelijk van de wijze van onderzoek. Wel is de tijd die men aan vrijwilligerswerk besteedde wat afgenomen. In de sportsector zijn de meeste vrijwilligers actief. Kerkgangers doen tweemaal zoveel aan vrijwilligerswerk als niet-kerkgangers. Onder vrijwilligers zijn laag- opgeleiden, allochtonen en jongeren ondervertegenwoordigd.
De omvang van de criminaliteit is de afgelopen tien jaar licht gestegen. Vermogensdelicten namen enigszins af, terwijl geweldsdelicten en vernielingen toenamen. Jaarlijks wordt ruim een kwart van de Nederlandse bevolking van boven de 12 jaar slachtoffer van criminaliteit. Daarbij hebben jongeren meer kans om slachtoffer te worden, omdat zij zich vaker in risicovolle omstandigheden begeven. In buurten met een lage sociaal-economische status is de kans om slachtoffer te worden van geweld groter dan gemiddeld.
Ongeveer 160.000 mensen wordt jaarlijks verdacht van een misdrijf, oververtegenwoordigd daarbij zijn mannen, jongeren en allochtonen.

2.2 Het beeld in Groningen
Dit landelijk beeld zal voor een groot deel ook het beeld zijn van de stad Groningen. Op een aantal punten zijn verschillen te constateren.
Waar bijvoorbeeld landelijk het vertrouwen in de overheid een stevige deuk heeft opgelopen, blijven de Stadjers positief over hun gemeente; gemiddeld krijgt de gemeente een 6,8 als rapportcijfer.
Vergeleken met steden als Utrecht, Breda, Tilburg, Arnhem, Nijmegen en Haarlem is de gehecht-heid van de Groningers van 18 jaar en ouder aan hun stad (soms) ruim hoger. Alleen Maastrichte-naren zijn meer gehecht aan hun stad. Maar van alle genoemde steden denken de Groningers het meest dat hun stad er op vooruit zal gaan de komende jaren, ruim 60 procent.

Het aantal werklozen in Groningen daalde de afgelopen jaren van 19.000 tot minder dan 10.000. Maar de recessie begint ook in Groningen toe te slaan. In mei van dit jaar zaten al ruim 12.000 Stadjers zonder werk. Het aantal mensen dat zich meldt met schuldproblemen neemt toe.
De participatie in sport, cultuur en verenigingsleven lijkt redelijk stabiel te blijven. Het aantal verstrekte Stadjerspassen ligt al een aantal jaren op hetzelfde niveau. De deelname aan sport en cultuur blijft met wat schommelingen op eenzelfde peil. De combinatie van (stijgende) werkloos-heid en een laag inkomen vergroten het risico voor Stadjers om in een sociaal isolement te geraken.
Overigens is het aandeel van mensen met een midden- of hoger inkomen in de totale bevolking de afgelopen jaren gestegen; de stad werd zo sterker in de breedte.

De Leefbaarheidsmonitor 2002 constateert een aantal positieve tendensen. Dat geeft aan dat we een opgaande lijn te pakken hebben en dat het ingezette beleid bijvoorbeeld op het vlak van de wijkvernieuwing resultaat heeft gehad. Meest opvallend hierbij is de sterke afname van het verloederingscijfer over de afgelopen twee jaar. Minder inwoners geven aan dat vernielingen, rommel op straat en bekladding van gebouwen vaak voorkomen.
Verder is een aantal gunstige ontwikkelingen waar te nemen waar het gaat om de (buurt)voor-zieningen. Zo is de tevredenheid over achterpaden, brandgangen, straatverlichting en het groen duidelijk hoger dan in voorgaande peilingen.
De veiligheidsbeleving onder de Stadjers laat een gunstiger beeld zien dan in voorgaande peilingen.
Dit geldt voor algemene gevoelens van onveiligheid en de beleving daarvan, maar ook


slachtofferschap van criminaliteit. Iets minder Stadjers zijn slachtoffer geweest van inbraak, geweld, een autodelict (inbraak of vernieling) of diefstal van hun fiets. Maar we zien een toename van het aantal geweldsmisdrijven in het centrum.

Als we kijken naar de leefbaarheid op buurtniveau valt er een aantal buurten op.
De situatie in Corpus den Hoorn/De Wijert is iets minder gunstig dan in 2000. Lichte afnamen zijn te zien in de cijfers voor de evaluatie van woonomgeving en de sociale samenhang. Daarnaast is er sprake van toename van overlast door omwonenden.
De kwaliteit van de woonomgeving in Beijum-Oost is aan het afnemen. De overlast van groepen jongeren en geluid is op de overlastindicator gestegen tot hoog boven het stadsgemiddelde. De kwaliteit van de woonomgeving wordt als lager gewaardeerd. Na het centrum scoort Beijum het hoogst op de mate van bedreigingen die de inwoners ervaren.
In de Indische Buurt zijn weinig veranderingen opgetreden, maar de leefbaarheid in De Hoogte is afgenomen. De scores voor de evaluatie van de kwaliteit van de woonomgeving en de mate van sociale samenhang zijn behoorlijk gedaald. Daarnaast is er sprake van een stijging van de overlast.
In Tuinwijk stijgt de overlast al vanaf 1998. Ook de scores voor de mate van sociale samenhang en de evaluatie van de kwaliteit van de woning laat een minder gunstig beeld zien dan in 2000 en 1998. De cijfer voor de kwaliteit van de woonomgeving en de mate van verloedering laten een verbetering zien, al zijn ze stedelijk nog steeds (te) hoog. Ruim 40 procent van de inwoners voelt zich hier wel eens onveilig.
De jongerenoverlast is Lewenborg-Zuid is weliswaar gedaald, maar is nog steeds te hoog. Ook de verloedering scoort lager, maar is samen met Beijum nog wel de hoogste score in de stad. Het cijfer voor de mate van sociale samenhang daalt licht.
In Paddepoel-Zuid is vooral de forse afname van de mate van sociale samenhang opvallend. In 2000 was nog sprake van een stijging, maar de score behoort nu tot de laagsten in de stad. Een andere negatieve ontwikkeling is de stijging van de score voor de mate van overlast. Bijna 30 procent van de inwoners voelt zich hier wel eens onveilig. Ondanks deze ontwikkelingen zijn de bewoners positief over de toekomst.
Vinkhuizen-Zuid wordt gekenmerkt door enkele kleine verbeteringen ten opzichte van twee jaar geleden. De waardering voor de woonomgeving stijgt en het verloederingscijfer daalt. Ondanks deze verbeteringen behoren de meeste scores nog wel tot de laagste in de stad. 43 procent van de inwoners voelt zich hier wel eens onveilig. Dat is stedelijk de hoogste score, samen met de Tuinwijk. Het zijn waarschijnlijk de wijkvernieuwingsplannen die er voor zorgen dat de inwoners over de toekomst positief gestemd zijn.
De problemen rondom jongerenoverlast in Hoogkerk zijn flink afgenomen. Ook de verloedering is fors lager. Veel minder bewoners constateren geluidsoverlast en sporen van verloedering als rommel op straat en bekladding. Ondanks een grote afname sinds 2000 zien de Hoogkerkers nog drie keer zo vaak vernielingen als gemiddeld.

Het is lastig en wellicht onmogelijk om hier conclusies uit te trekken die gelden voor de hele stad en voor alle buurten. Maar als algemene beeld kunnen we constateren dat in heel veel wijken voorzichtig vooruitgang wordt geboekt. Maar niet voor iedereen is die vooruitgang even groot geweest; er bestaan nog steeds aanzienlijke verschillen tussen mensen en tussen wijken. Wijkvernieuwing en gerichte aanpak hebben vruchten afgeworpen. Juist nu is het zaak om die vooruitgang vast te houden en een dreigende neergang te bezweren.


3. Problemen, doelen, afwegingskader en aanpak
Hoe geven we tegen deze achtergrond inhoud aan ons streven naar een sociale stad? Hieronder geven we aan op welke doelen van de stadsvisie wij ons richten, daarna omschrijven we het afwegingskader en de aanpak die we hanteren binnen de sociale pijler.


3.1 Problemen en doelen
We hebben ons motto Groningen: sterke stad, actieve Stadjers geconcretiseerd in 10 doelen.
Sterke stad 1. Een stad met meer werk, minder werkloosheid
2. Een stad met een uitstekend vestigingsklimaat
3. Een stad die schoon, heel en veilig is
4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
5. Een stad die zich duurzaam ontwikkelt
Actieve Stadjers 6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad
8. Een stad die bruist op cultureel en sportief gebied
9. Een stad waarin iedereen geïntegreerd is
10. Een stadhuis in het hart van de stad

Deze doelen hangen onderling samenhangen en hebben vaak zowel sociale, ruimtelijk-fysieke als economische aspecten. Met inachtneming van die samenhang richten we ons vanuit de sociale pijler vooral op de volgende doelen:
3. Een stad die schoon, heel en veilig is
4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad
9. Een stad waarin iedereen geïntegreerd is
Het gaat daarbij het met name om de sociale aspecten van deze doelen. Hieronder schetsen we in hoofdlijnen kort om welke problemen het daarbij gaat.

Veiligheid
Hoewel de Groningers zich de afgelopen jaren veiliger zijn gaan voelen en er ook op basis van de objectieve cijfers op een aantal punten een positieve lijn is ingezet, voelt nog steeds bijna 30 % van de Stadjers zich wel eens onveilig. Ook in de eigen buurt. Waarbij er grote verschillen zijn tussen buurten. Naast zaken als inbraak of fietsendiefstal gaat het ook om een gevoel van dreiging, drugsoverlast of overlast door jongeren. Een apart probleem is het geweld in de huiselijke omgeving. Het veiligheidsgevoel is een belangrijke factor in het welbevinden van mensen. Veiligheid is bovendien een overheidstaak bij uitstek. Het is dan ook een belangrijk onderdeel in onze aanpak.

Leefbare wijken
De leefbaarheid in woonwijken komt vooral dan onder druk te staan wanneer meerdere problemen zich gelijktijdig voordoen en elkaar versterken. Hierdoor krijgen bewoners een gevoel van onbehagen en een negatief toekomstperspectief. Voortgaande en ingrijpende veranderingen in de bevolkingssamenstelling, het ervaren van onveiligheid, overlast door individueel en groepsgedrag, een verpauperde woonomgeving en verschraling van (wijk)voorzieningen zorgen ervoor dat wijken ‘veranderen’ en bewoners zich er minder thuis voelen. Vaak gaat dit gepaard met het uiteenvallen van de sociale samenhang en de afname van ‘noaberschap’, sociale controle en betrokkenheid van bewoners bij hun buurt en de mogelijkheden (en het gevoel) van bewoners om invloed te kunnen uitoefenen op hun eigen omgeving.

Een stad waarin iedereen meedoet
Het hebben van werk is en blijft de belangrijkste vorm waarin mensen deelnemen aan de samenleving. Daarom is werkloosheid zo’n groot probleem, zeker als er sprake is van langdurige werkloosheid. En daarom is het investeren in werk en de voorwaarden voor herstel en groei van de werkgelegenheid in Groningen topprioriteit.
In de Stad aan de Slag en Van nu naar straks hebben we aangegeven wat we daar concreet aan gaan doen, van investeren in bedrijfs- en kantoorlocaties tot een nieuw reïntegratiebeleid en de toeleiding naar werk.

Hier gaat het om het voorkomen van werkloosheid door te werken aan het halen van een startkwalificatie en te investeren in onderwijs, van Vensterscholen tot VMBO. Maar voor sommigen is door allerlei oorzaken werk (nog) niet aan de orde. We denken dan bijvoorbeeld aan de groep daklozen, verslaafden en mensen met psychische problemen.
Daarnaast is er meer dan werk: vrijwilligers zijn een belangrijk onderdeel van het sociale cement van de stad. Door ontwikkelingen zoals individualisering ontstaan daar steeds meer problemen.

Een gezonde stad?
Inwoners van de stad vertonen risicogedrag met betrekking tot hun eigen gezondheid: veel Stadjers roken, relatief veel Stadjers gebruiken te veel alcohol; infectieziekten en overgewicht nemen toe.
Verschillen in gezondheid hangen samen met verschillen in leefstijl. Beiden hangen ze samen met
verschillen in sociaal-economische status; vandaar dat er ook op dit punt verschillen zijn tussen verschillende buurten in de stad. Ook de leefomgeving kent belemmerende gezondheidsfactoren. Daarnaast kunnen kwetsbare groepen het om diverse redenen niet op eigen kracht redden; de ontoegankelijkheid van zorginstellingen is voor meerdere groepen een probleem.

Een stad waarin iedereen geïntegreerd is.
In Groningen wonen mensen die overal vandaan komen. Dat maakt Groningen een multiculturele stad. Het ingroeien in de Nederlandse samenleving gaat niet altijd vlekkeloos, waardoor problemen kunnen ontstaan. Het verschil in culturele bagage brengt bovendien onbegrip met zich mee waardoor de participatie van allochtonen achterblijft. Ook weten sommige instellingen niet altijd voldoende in te spelen op mensen met een andere achtergrond, zodat hun bereik onvoldoende is.

3.2 Afwegingskader
De middelen om deze problemen aan te pakken zullen de komende jaren beperkt zijn. Dat is een belangrijk gegeven. Selectiviteit, maatschappelijk rendement en meer verantwoordelijkheid voor de burger zijn daarom sleutelbegrippen geweest bij de opbouw van ons uitvoeringsprogramma.
- We zullen het geld inzetten waar dat het hardst nodig is. Juist nu het economisch slechter gaat, moet de overheid een schild zijn voor de zwakkeren in de samenleving. Ook als dat inhoudt dat we het op andere plaatsen in de stad even met iets minder moeten doen. Dat betekent: minder spreiden en meer concentreren van inspanningen.
- We zullen scherp letten op het verwachte maatschappelijk rendement van onze maatregelen. Daarbij gaat het om de effecten op korte, maar zeker ook op wat langere termijn.
Dit uitgangspunt betekent onder andere dat we zoeken naar meerwaarde door het slim combineren van maatregelen, bijvoorbeeld door in de wijkvernieuwing fysieke en sociale verbetering hand in hand te laten gaan. Dat we de 20% dingen moeten doen waarmee we 80% van de tevredenheid kunnen realiseren – en omgekeerd ook de 20% dingen moeten opsporen die 80% van de ergernis veroorzaken. Het betekent daarnaast dat jeugd en jongeren belangrijke doelgroepen zijn in het beleid: bij hen gaat het bij uitstek om de toekomst.
- We zoeken een nieuw evenwicht in de verantwoordelijkheden van overheid en burger. De overheid kan niet alles en moet daar ook duidelijk over zijn, tegelijkertijd heeft de burger ook een eigen verantwoordelijkheid. Soms zullen burgers dingen meer zelf moeten doen. Verder kunnen we als overheid kansen bieden, maar het is de burger die er gebruik van moet maken en daar ook wat voor moet doen. Het moet van twee kanten komen.
Dit uitgangspunt betekent onder meer dat wij elke keer opnieuw kritisch zullen bekijken of iets echt een probleem is, of het de verantwoordelijkheid van de gemeente is om daar wat aan te doen en of er een effectieve aanpak mogelijk is. Deze benadering hebben we samen met de raad al toegepast in ons gezondheidsbeleid, we willen die nu verbreden naar andere terreinen.

3.3 Aanpak: een basisniveau voor iedereen, extra voor wie dat nodig heeft
Vanuit deze uitgangspunten kiezen we voor een aanpak die bestaat uit twee elementen: we bieden een basisniveau aan voorzieningen voor iedereen, daar bovenop bieden we extra aandacht voor wie dat nodig heeft. Het is een combinatie van een breedte- en een dieptestrategie.
Basisniveau voor iedereen
In de hele stad moeten voorzieningen zijn op een sober maar verantwoord basisniveau. Dat zijn voorzieningen die bedoeld zijn voor iedere burger in de stad. Dat houdt in dat we in ieder geval die activiteiten en voorzieningen in stand houden die wettelijk verplicht zijn - maar dan wel op een behoorlijk niveau - en daarnaast die voorzieningen die wij minimaal noodzakelijk achten voor een goed woon- en leefklimaat.
Het gaat dan om (Venster)scholen, gezondheidszorg, sportaccommodaties, de bibliotheek, politie, buurthuizen, jongerencentra, maar bijvoorbeeld ook de schouwburg en andere culturele voor-zieningen. Sommige hebben een plaats in de wijk, andere op stadsdeel- of stedelijk niveau.
Die basis moet op orde zijn. Voorzieningen en activiteiten moeten functioneren en resultaten leveren.
We zullen zorgvuldig nagaan wat behoort tot het pakket basisvoorzieningen. We beginnen met een inventarisatie van de welzijnsvoorzieningen en -accommodaties. Binnenkort verschijnt in dat kader een herijking van ons accommodatiebeleid. Die herijking van wat wel of niet tot het basisniveau behoort, is nodig om flexibeler en sneller te kunnen reageren op onvoorziene gebeurtenissen. Daarnaast kunnen we zo meer middelen inzetten op plekken waar dat het hardst nodig is.
Ons uitgangspunt en toetsingscriterium is dat het overgrote deel van de Stadjers goed uit de voeten kan met de voorzieningen die we met dit basisniveau aanbieden.

Extra inspanningen: concentreren
Maar er zijn ook mensen voor wie dat basisniveau niet genoeg is. Die door verschillende oorzaken of combinaties van omstandigheden kwetsbaar zijn of een achterstand hebben opgelopen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om werkloosheid, een afgebroken schoolopleiding, schulden, gebroken gezinnen, verslaving, psychische problemen of combinaties daarvan. Want vaak stapelen dergelijke problemen zich bij bepaalde mensen en in bepaalde buurten. In beide gevallen kan dat al gauw leiden tot een neerwaartse spiraal.
Dan is er meer nodig. Niet overal, niet voor iedereen, maar waar nodig. De komende jaren gaan we de extra inzet vanuit de sociale pijler daarom niet meer spreiden over de hele stad, maar veel meer concentreren: op wijken die zich kenmerken door een stapeling van problemen. Dat zijn de 12 wijken en buurten die eerder door de raad al zijn aangewezen als wijkvernieuwingsgebieden.
En we kijken vooral naar groepen met een verhoogd risico. Niet meer alle minderheden, maar vooral Antillianen, niet meer alle jongeren, maar vooral de risico-jongeren, niet meer alle mensen met problemen maar vooral daklozen en overlastveroorzakers.
Hieronder werken we deze gebiedsgerichte en doelgroepengerichte aanpak verder uit.


4. Gebiedsgericht en doelgroepgericht maatwerk

4.1 Gebiedsgericht: concentratie op 12 wijkvernieuwingsgebieden
In de 12 wijkvernieuwingsgebieden gaan we tot 2010 samen met corporaties fors investeren in de verbetering van het woon- en leefklimaat in brede zin. De ambitie is om te werken aan wijken met perspectief: waar mensen zich thuis voelen, met woningen voor mensen uit verschillende inkomensgroepen, met een leefomgeving die schoon heel en veilig is en met een adequaat voorzieningenniveau. De ambitie is: wijken in balans.
De wijken en buurten waar het om gaat zijn Vinkhuizen, Paddepoel-Zuid, Tuinwijk, Hoogkerk, Corpus den Hoorn, De Wijert-Noord, de Grunobuurt, Lewenborg, Beijum-Oost, Kostverloren, Oosterpark en Indische Buurt/De Hoogte. In paragraaf 2.2 kwam een aantal van de problemen die daar spelen al aan de orde.
Gezien de stapeling van problemen is voor 5 wijken (Beijum-Oost, Indische Buurt/De Hoogte, Tuinwijk, Paddepoel-Zuid en Lewenborg-Zuid) een intensieve, meerjarige aanpak vanuit meerdere invalshoeken noodzakelijk. In de zeven andere wijken willen we door het aanbrengen van één of meer voorzieningen komen tot een betere sociale infrastructuur.


Al deze wijken verschillen van elkaar. Elke wijk verdient daarom een eigen aanpak, gericht op de zich daar voordoende problemen. De cijfers van de recente Leefbaarheids- en veiligheidsenquête bieden daarvoor aanknopingspunten, net als de politiemonitor. Het kan bijvoorbeeld gaan om verloedering en drugsoverlast, maar ook om een eenzijdige woningvoorraad, onveiligheid of overlast door groepen jongeren. Naast sociale problemen zoals langdurige werkloosheid, komt in sommige van deze wijken de laatste jaren ook het integratievraagstuk meer op de agenda. Zo waren in Paddepoel-Zuid, Vinkhuizen en Indische Buurt/De Hoogte in 2001 al veel kinderen van 0-12 jaar van niet-westerse afkomst. Dat vraagt om extra aandacht voor onder andere het onderwijs.

Afhankelijk van de situatie ligt de nadruk soms op fysieke maatregelen, in andere gevallen hebben sociale maatregelen de overhand. In een aantal wijken gaat het om allebei. Soms zullen met name jongeren doelgroep zijn, terwijl het in andere wijken daarnaast ook om ouderen of om Antillianen zal gaan.
In de sociale wijkvernieuwing kennen we een breed scala van mogelijke maatregelen, die afhankelijk van de situatie per wijk meer of minder intensief en al dan niet in combinatie met andere maatregelen zullen worden ingezet. Variërend van Schoon, Heel en Veilig, Vensterscholen en maatregelen gericht op een gezondere leefstijl, tot Ganashi en de aanpak van jongerenoverlast. En natuurlijk het verbeteren van woningen en het verbreden van de woningvoorraad. Want met mogelijkheden voor doorstroming in de wijk en een meer gevarieerde bevolkingssamenstelling vergroten we het sociale en economische draagvlak van buurten. Onze inspanningen zijn gericht op het versterken van het zelfherstellend vermogen van mensen en wijken.

4.2 Doelgroepgericht
Jongeren
Laten we beginnen met te zeggen dat er met 85% van de jongeren in de stad helemaal niets aan de hand is. Een cumulatie van problemen blijft beperkt tot bescheiden aantallen jongeren.
Maar jongeren zijn wel de belangrijkste doelgroep van ons (sociale) beleid – niet omdat de problemen onder jongeren het grootst zijn, maar omdat daar het potentiële rendement hoog is.
Vandaar bijvoorbeeld de extra aandacht voor jeugdwerkloosheid, verbetering van de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt, de investeringen in het VMBO en de programma’s versterking gezond gedrag en aanpak jeugdcrimininaliteit. Maar het gaat niet alleen om de jongeren zélf, het gaat ook om het voorkomen van overlast die sommigen jongeren veroorzaken. Uit de Leefbaarheidsmonitor blijkt duidelijk dat er nogal wat wijken overlast van jongeren ondervinden.

Groningen is een stad met veel jongeren. Op 1 januari 2002 was 19 procent van de inwoners van onze stad jonger dan 20 jaar. En 34 procent is jonger dan 24 jaar, dat laatste percentage staat gelijk aan bijna 60.000 kinderen en jongeren in onze stad.
We verwachten dat het aandeel van jongeren en jongerenhuishoudens in de stad in het komende decennium min of meer stabiel zal blijven. Maar dat hangt ook af van de vraag of Groningen erin slaagt een aantrekkelijke studiestad te blijven. Het grote aantal jongeren in Groningen draagt in niet geringe mate bij aan sfeer, creativiteit en het openstaan voor vernieuwing. Daar komt bij dat het relatief hoge opleidingsniveau van het arbeidspotentieel een belangrijke vestigingsfactor is.

Er zijn concrete aanleidingen om in de komende jaren aandacht te geven aan de problemen en wensen van de jongeren. Zo stijgt voor het eerst in lange tijd de werkloosheid onder jongeren weer en neemt het aantal beschikbare banen af. Waar kennis steeds belangrijker wordt, zijn er nog steeds te veel jongeren die geen startkwalificatie halen of zelfs vroegtijdig het onderwijs verlaten. Problemen van een andere orde zijn de eet- en leefgewoonten van sommige jongeren, de groeiende schuldenproblematiek, de toenemende overlast die jongeren in enkele wijken veroorzaken en het terugdringen van de jeugdcriminaliteit.

De achtereenvolgende leeftijdsfasen en de verschillende leefwerelden van jongeren zien we als schakels in een ketting. De wijze waarop een jeugdige de schakels doorloopt, bepaalt de manier waarop hij of zij opgroeit naar volwassenheid. Deze ‘ketenbenadering’ legt dus een koppeling tussen de leefwerelden en de leeftijdsgebonden ontwikkeling. Het opvoeden van kinderen en jongeren is een gedeelde verantwoordelijkheid van ouders, die eerstverantwoordelijk zijn, en andere volwassenen die in verschillende leefwerelden en leeftijdsfase met kinderen en jongeren werken, zoals mensen in de kinderopvang, leerkrachten, sportleiders, jongerenwerkers en wijkagenten. Achter al die mensen vinden we gemeentelijk beleid.

Een potentieel hoog maatschappelijk rendement impliceert een aanpak over de volle breedte: van werk en onderwijs tot gezondheid, sport en cultuur – waarbij ook hier geldt dat de jongeren zèlf verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van hun leven. Hieronder noemen we de belangrijkste invalshoeken en aandachtspunten die bij zo’n aanpak over de volle breedte aan de orde moeten komen.
- Probleemjongeren zijn vaak te vinden in wijken waar zich ook andere problemen voordoen. Het onderwijs kan behulpzaam zijn om erachter te komen om wie het (in potentie) gaat en welke factoren het gedrag van de jongeren beïnvloeden – niet alleen het basisonderwijs maar ook het voortgezet onderwijs, in het bijzonder het VMBO. Het zijn diezelfde (venster)scholen die wellicht een goed ankerpunt zijn als we onze gestapelde, doelgroepgerichte en gebieds-gerichte aanpak in de praktijk willen brengen.
- De aansluiting tussen onderwijs, arbeidsmarkt en economie moet worden verbeterd; hieraan voorafgaand schreven we daar al over. Dat vraagt om grote investeringen in de kwaliteit van het onderwijs – in mensen, gebouwen en lesmateriaal –, zeer in het bijzonder in de vernieuwing van het VMBO. Wij hebben daartoe inmiddels verregaande en ambitieuze plannen ontwikkeld, die wij momenteel met de schoolbesturen bespreken.
- Bij het verder vormgeven van een vrije-tijdsbeleid moeten jongeren eveneens als een belangrijke doelgroep worden aangemerkt. Dat geldt niet enkel in financiële zin – ze hebben door zakgeld en bijbaantjes meer te verteren dan de jongeren van vroeger – maar vooral omwille van hun deelname aan sportieve en culturele activiteiten en het verenigingsleven. Het is duidelijk dat hier verband kan worden gelegd met ons gezondheidsbeleid (leefstijl) en ons cultuurbeleid, dat laatste zowel in consumptieve als productieve zin (Jonge Makers).

Minderheden
In Groningen wonen mensen die overal vandaan komen. En met de meeste mensen met een andere etnische achtergrond gaat het goed in Groningen. En zolang iedereen op gelijke wijze gebruik kan maken van de mogelijkheden die onze stad biedt om te participeren, zien wij geen aanleiding om minderheden in het algemeen bij voorbaat tot doelgroep te bestempelen. Iets anders is dat er nog steeds mensen in Groningen problemen tegenkomen die direct samenhangen met hun etniciteit. Daar willen wij extra inspanningen leveren om ook die Groningers gelijke kansen te bieden.

Er zijn in de gemeente Groningen per 1 januari 2003 volgens de VNG-methode 33.858 allochtonen. Dit is 19,1 % van de bevolking (177.298). De bevolking in de gemeente Groningen is in 2002 met 1.632 toegenomen waarvan 61% bestond uit allochtonen. De grootste groepen allochtonen komen uit Indonesië, Nederlands Indië, Nieuw Guinea, Duitsland, Suriname en de Nederlandse Antillen en Aruba. Het aantal allochtonen neemt na 1998 sterker toe dan de jaren daarvoor. Deze toename komt vooral door de overige niet-westerse landen en dan met name landen uit het midden en zuiden van Afrika. Van de personen uit de vluchtelingenlanden heeft de grootste toename plaatsgevonden vanuit Afghanistan en Irak. In absolute aantallen zijn de Antillianen de snelst groeiende groep met een groei van 720 personen tussen 1 januari 1999 en 1 januari 2003.
De allochtone bevolking is gemiddeld jonger dan de autochtone bevolking. De leeftijdsgroep van 20 tot 24 jaar is sterk vertegenwoordigd.

We werken aan een nieuw minderhedenbeleid, gericht op inburgering en integratie. Daarbij moeten we rekening houden met uiteenlopende trends als een toenemende druk op én behoefte aan inburgering naast een toenemende emancipatie onder sommige groepen allochtonen. Daarop is een


samenhangend antwoord nodig. We willen dat antwoord geven met onze koepelvisie op het Groninger minderhedenbeleid Bruggen slaan. Daarin beschrijven we integratie langs vier belangrijke lijnen: taal, sociale codes, trots en wederkerigheid. We gaan met betrekking tot inburgering (de nota Aansprekend en respectvol), oud- en nieuwkomers en zelforganisaties die visie gedetailleerd uitwerken.
Inmiddels lopen er twee projecten, de één gericht op oudkomers (Ganashi), de ander op nieuwkomers. Verder bezien we in overleg met de corporaties hoe we in Groningen de problematiek van de zogenoemde “zwarte scholen” kunnen voorkómen.

Ouderen
Op 1 januari 2002 was bijna 14 procent van onze bevolking 60 jaar of ouder. Ruim 18 duizend mensen zijn 65-plusser (10,5 procent).
Naar het zich laat aanzien zal het aantal ouderen toenemen, maar dat gebeurt pas echt ná 2010. Tot die tijd lijkt zich zelfs een zekere afname in de leeftijdscategorieën boven 60 jaar af te tekenen, terwijl juist het aantal 50- tot 60-jarigen opmerkelijk groeit. De geleidelijke toename van het aantal ouderen kan worden verklaard uit de stijging van de gemiddelde leeftijd, zowel onder vrouwen als mannen, maar er is ook een kans dat de genoemde categorieën in omvang toenemen omdat mensen besluiten naar Groningen terug te keren wegens het aantrekkelijke woon- en leefklimaat en de concentratie van voorzieningen op betrekkelijk korte afstand van elkaar.
Uit de demografische prognoses valt af te leiden dat we vooral na 2010 met meer vergrijzing te maken krijgen. Het is zaak daar nu reeds op te anticiperen
Daarbij moeten we ons terdege realiseren dat de ouderen van de toekomst anders zullen zijn dan de ouderen van nu. Ouderen zullen meer zelfredzaam zijn en gemiddeld ook meer geld hebben. Meer ouderen is dus niet per definitie hetzelfde als meer problemen. Er moet aandacht komen voor mogelijkheden voor een zinvolle invulling van de vrije tijd. Misschien liggen hier ook perspectieven voor verenigingen. Wie de ouderen heeft, heeft de toekomst?
Toch zal er ook meer aandacht voor zorg moeten komen, al dan niet gecombineerd met wonen en al dan niet collectief. Dan denken we bijvoorbeeld aan de inrichting van woon-zorgzones. Het toenemende aantal ouderen stelt sowieso eisen aan woningen (beter direct bij de bouw dan achteraf) en aan de inrichting van de openbare ruimte, waarbij toegankelijkheid steeds belangrijker zal worden.
Het kader voor deze en andere maatregelen wordt gevormd door de vorig jaar vastgestelde Ouderenvisie en de nota Ouderenhuisvesting.


5. Het uitvoeringsprogramma in hoofdlijnen
Het uitvoeringsprogramma voor de komende jaren is opgebouwd vanuit de doelen en geconcentreerd op gebieden en doelgroepen.
Per doel is een analyse gemaakt van het probleem en zijn subdoelen geformuleerd. Daarbij zijn programma’s en instrumenten benoemd en ook zijn de beoogde resultaten en maatschappelijke effecten omschreven. Op deze manier willen we beter kunnen sturen op resultaten. We komen daarop terug in paragraaf 7.

In bijlage 1 vindt u een uitwerking van de doelen in programma’s en instrumenten. Hiernaast ziet u in een apart kader wat we overwegen de komende jaren vanuit de sociale pijler te gaan doen in de wijkvernieuwingsgebieden. In 2004 leggen we het accent op Vinkhuizen. Het definitieve uitvoeringsprogramma 2004 volgt in het Stadsdeelprogramma 2004.
Hieronder gaan we kort in op de belangrijkste programma’s van de sociale pijler: onderwijs, versterking gezond gedrag, veiligheid, Ganashi en ‘Uit de goot’. Deze programma’s zijn gekoppeld aan buurten en/of doelgroepen, al naar gelang de situatie en de problemen.

In onderstaande kaders schetsen we een beeld van de maatregelen die we de komende jaren overwegen in het kader van de sociale vernieuwing in de 12 geselecteerde wijken. Daarbij noodzaken de beperkte middelen tot keuzes. Elk jaar zullen wij daartoe een voorstel voor een uitvoeringsprogramma aan u voorleggen.

Vinkhuizen
We bouwen de Vensterschool verder uit met aanvullende nieuwbouw en een breder programma-aanbod.
Voorzieningen voor jeugd en jongeren krijgen extra middelen: investeringen in nieuwbouw en jongerenwerk voor de Wende, een grondige renovatie van speeltuinvoorziening de Apekooi en het realiseren van ontmoetingsplekken. In de Vlint is al een Ambiënte. Met dit pakket wordt niet alleen
de jongerenoverlast aangepakt, maar krijgt de wijk de voorzieningen die gezien de huidige en de toekomstige samenstelling nodig zijn.
In overleg met zorginstellingen en corporaties werken we aan woonzorgzone-ontwikkeling en verbetering van dienstverlening voor ouderen.
Voor multi-probleemgezinnen bieden we met het project Basiszorg in de Buurt een aanpak. Vanuit de Vensterschool zal het schoolmaatschappelijk werk ter hand worden genomen.

Paddepoel-zuid
We zijn bezig met de kwalitatieve verbetering van de woonomgeving, onder meer de speel-voorzieningen.
De Vensterschool is gerealiseerd. Voor uitbouw van het programma van de Vensterschool zoeken we naar geld binnen de voor Vensterscholen beschikbare middelen.
Inbraakpreventie krijgt extra aandacht; wat ons betreft zal dit zo veel mogelijk onderdeel zijn van het nieuwbouw- en woningverbeteringsprogramma.
In 2004 gaan we investeren in het samenleven tussen allochtonen en autochtonen in deze wijk. In toenemende mate komen de onderlinge verhoudingen op scherp te staan en neemt de tolerantie af. Paddepoel-Zuid maakt deel uit van het Onze Buurt Aan Zet (OBAZ)-project waarin met name verbetering van de leefbaarheid, veiligheid, bewonersparticipatie en jongerenvoorzieningen (buurtcentrum Tuinwijk) centraal staan. Na afloop van dit OBAZ-project (eind 2005) vraagt voortzetting van deze aanpak (Heel de Buurt, sociale wijkvernieuwing en het continueren van jongerenvoorzieningen in samenhang met Vensterschool) om een stevige inzet van middelen.

Tuinwijk
Ook in Tuinwijk loopt het project Onze Buurt Aan Zet, dat is gericht op de versterking van leefbaarheid, veiligheid, bewonersparticipatie, kinder- en jongerenvoorzieningen. De verbouw van het buurtcentrum Tuinwijk is in voorbereiding en dat betekent een stevige impuls voor het jongerenwerk in de wijk. Dit OBAZ-project betekent een daadwerkelijke start van het wijk-vernieuwingsproces in de Tuinwijk. Sociale doelstellingen zijn hierbij leidend. De Vensterschool zal in de komende periode samen met het buurtcentrum Tuinwijk extra aandacht geven aan activiteiten voor kinderen en jongeren en hun ouders, onder meer met een programma voor opvoedingsondersteuning.
De bewonersparticipatie stimuleren we door het opbouwwerk in de vorm van een Heel de Buurt-project (opbouwwerk), waarvoor middelen beschikbaar zijn en blijven.
In overleg met Politie en corporaties wordt, net als voor meerdere wijken in het stadsdeel, een inbraakpreventieplan opgezet.
De situatie in de Tuinwijk vraagt om een integrale aanpak die we samen met de corporaties gaan ontwikkelen. Een goed en veilig leefklimaat voor de huidige bevolking, goede voorzieningen voor jongeren en ondersteuning van kwetsbare groepen (waaronder multiprobleemgezinnen) vormen daarbij de hoofdmoot. In 2004 en 2005 zijn (beperkt) middelen noodzakelijk voor leefbaarheids-maatregelen en planontwikkeling. Vanaf 2006 moet met aanvullende middelen voortgebouwd kunnen worden op de resultaten van het Onze Buurt Aan Zet-project.

5.1 Onderwijs
De afgelopen jaren hebben we veel geïnvesteerd in onderwijs. In de inhoud, maar ook in de gebouwen en de voorwaarden. We hebben in de breedte geïnvesteerd, met bijvoorbeeld de Venster-scholen, maar ook in de diepte, met ons kansenbeleid. Met die inzet gaan we op volle sterkte door. Dit beleidsterrein is immers essentieel voor het bereiken van heel veel van onze doelen. Immers als het gaat om vaardigheden om op de arbeidsmarkt actief te zijn of te worden, als het gaat om start-kwalificaties, integratie of tevredenheid met eigen wijk of buurt, overal komen we het onderwijs wel een keer tegen.
De volgende deelprogramma’s en instrumenten horen daar in ieder geval bij: ons kansenbeleid, waaronder voor- en vroegschoolse programma’s, nieuwe Vensterscholen in de wijkvernieuwings-gebieden, de Gezonde en Veilige School, de nieuwe aanpak van het VMBO, de aanpak voortijdig schoolverlaten, het verzuimbeleid/leerplichtcontrole, RMC-trajecten, het speciaal (voortgezet) onderwijs en het intensiveren van de programma’s Weer samen naar school.

5.2 Versterking gezond gedrag
Bij het versterken van gezonder gedrag gaat het om het (leren) maken van gezondheidsbevorde-rende keuzes en het realiseren van gunstige randvoorwaarden daarvoor. Een groot deel van de inzet is gericht op (jonge) kinderen, want eenmaal gevestigd gedrag is niet of nauwelijks te beïnvloeden. Hier geldt dat voorkomen beter is dan genezen. We mikken op verschillende vormen van gedrag, zoals het voorkomen van pesten en roken en het stimuleren van gezondere voeding en meer beweging. Centrale begrippen zijn vroegsignalering, een ketengerichte aanpak en monitoring van risicokinderen.
Een accent op breedtesport sluit hier op aan. Breedtesport is belangrijk voor een betere gezondheid op lange termijn en draagt bovendien bij aan integratie tussen alle lagen van de bevolking.

Verschillen in gezondheid hangen samen met verschillen in leefstijl – en beiden hangen samen met verschillen in sociaal-economische status. Daarom concentreert deze leefstijl-aanpak zich met name op de kinderen in de wijkvernieuwingswijken.

5.3 Veiligheid
Ook veiligheid en het veiligheidsgevoel zijn belangrijk voor de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Het verder verbeteren van de veiligheid, zowel objectief als subjectief, moet daarom ook de komende jaren een permanent aandachtspunt blijven.
Groningers zijn zich de afgelopen jaren over het algemeen genomen veiliger gaan voelen. Voelde in 1996 45% van de Stadjers zich wel eens onveilig, in 2002 was dat teruggelopen tot 29%. Maar er zijn soms grote verschillen tussen wijken. Ook hier kiezen we daarom voor een doelgroep- en gebiedsgerichte benadering. Zo kan een verminderd veiligheidsgevoel soms samenhangen met overlast van een aantal jongeren (Vinkhuizen), soms met drugsoverlast (binnenstad), soms met beide (Beijum-Oost) en dat vraagt telkens om andere maatregelen.
Bestrijding van jongerenoverlast en jeugdcriminaliteit krijgt de komende jaren prioriteit in ons integraal veiligheidsbeleid. Daarin werken we intensief samen met de Politie, het Openbaar Ministerie en welzijnsorganisaties. De veelplegersaanpak is daarbij een voorbeeld van een efficiënte en effectieve methode.

Van een heel andere orde is een verscherpt toezicht op vergunningverlening en handhaving. Preventie levert een belangrijke bijdrage aan de veiligheid in deze stad. Ook de brandveiligheid wordt door verscherpt toezicht vergroot, we denken dan aan controles op noodverlichting, de toegankelijkheid van vluchtwegen en de maximaal toelaatbare hoeveelheid mensen.

5.4 Ganashi
De filosofie van Ganashi is inmiddels breed bekend in Antilliaanse gemeenschap: wie meewerkt kan rekenen op ondersteuning, wie kiest voor de criminaliteit kan rekenen op een harde aanpak door de politie. Deze formule wordt steeds vaker en met inmiddels ook zichtbaar effect toegepast.

Hoogkerk
In de Stadsdeelvisie is aangegeven hoe Hoogkerk zich de komende jaren verder kan ontwikkelen. Belangrijk onderdeel is de wijkvernieuwing voor Hoogkerk-Zuid op basis van een vastgesteld wijkvernieuwingsplan.
Hoogkerk beschikt over een Vensterschool. Een nevenvestiging daarvan (de Anne Frankschool), de openbare bibliotheek en een buurtsupermarkt liggen in het hart van het wijkvernieuwingsgebied Hoogkerk-Zuid. De wijkvernieuwing biedt kansen om dit wijkhart verder te versterken. De groei van de bibliotheek moet binnen de beschikbare middelen plaatsvinden.
We onderzoeken of het realiseren van een jongerenvoorziening gekoppeld aan de Vensterschool (locatie Zuiderweg) binnen de beschikbare middelen kan worden gerealiseerd. De verdere uitbouw van de woon-zorgzone in Hoogkerk-Zuid is primair een zaak van de corporatie en zorginstellingen.

Corpus den Hoorn
De Heel de Buurt-aanpak (opbouwwerk) door WING verdient voortzetting. Corpus den Hoorn wacht al jaren op een goede wijkvoorziening, waarin Vensterschool activiteiten, activiteiten voor ouderen, maar zeker ook een jeugdvoorziening ruimte kan vinden. De mogelijkheden om een en ander te realiseren zijn nog in onderzoek.
De aanpak van jongerenoverlast en het voortzetten van het jongerenwerk heeft hoge prioriteit in Corpus. Mogelijkheden voor woonzorgontwikkelingen worden met en door zorginstellingen onderzocht. Een ‘ouderenadviseur’ zal de dienstverlening kunnen verbeteren.

De Wijert-Noord
De Heel de Buurt-aanpak door WING verdient voortzetting. De Wijert beschikt over een Multi-functioneel Centrum, waarbij met name de mogelijkheden voor jongeren onvoldoende zijn. Dat gaan we aanvullen vanuit de stadsdeelbudgetten. De woonzorgontwikkelingen aan onder andere de Laan Corpus den Hoorn zijn ook voor de Wijert van belang.

Grunobuurt
Nijestee heeft het voornemen geuit de woningen in de Grunobuurt te willen slopen en nieuw te willen bouwen. Daarbij is naast huurwoningen voor de huidige bevolking ook gedacht aan duurdere huur- en koopwoningen. We onderzoeken nu of er alternatieven voor de Grunobuurt uitvoerbaar zijn. Hierover zal medio 2004 duidelijkheid moeten ontstaan. Na besluitvorming hierover zullen wij een verder programma voor de Grunobuurt formuleren.

Lewenborg
We geven hier de sociale wijkvernieuwing een stevig extra accent, gezien de problematiek. Dit wordt gestimuleerd door de aanwijzing van Lewenborg en Vinkhuizen tot landelijke aandachtwijk door het ministerie van VROM. Lewenborg is een Vensterwijk, waarin scholen en een groot aantal instellingen samenwerken, en beschikt daarnaast over een groot aantal voorzieningen, zoals het wijkcentrum, de bibliotheek en het jongerencentrum.
De stand van zaken in Lewenborg noodzaakt tot een aanvullende vernieuwingsslag. We zullen nagaan op welke wijze dit in 2004/2005 zijn beslag kan krijgen en met welke aanvullende middelen dit gepaard moet gaan. De Heel de Buurt-aanpak verdient voortzetting na 2004. De werkloosheidssituatie noodzaakt tot extra aandacht. De voorzieningen voor jongeren (activiteitenplekken en accommodatie) dragen bij aan het voorkomen van overlast. We bezien of uitbreiding wenselijk is. De grote Antilliaanse/Arubaanse gemeenschap krijgt in het kader van Ganashi extra aandacht. Daarbij is het realiseren van een accommodatie voor deze doelgroep een belangrijke prioriteit.

Politie en Justitie nemen de repressieve kant voor hun rekening en pakken met name de drugsoverlast aan. Gemeentelijke diensten en instellingen zorgen voor de preventieve invulling en voor de hulp-verlening aan die Antillianen die er zonder hulp niet meer uitkomen.
Onderdelen van die preventieve kant van Ganashi zijn ondermeer:
- de woonbegeleiding van Antilliaanse nieuwkomers, met trajecten naar de arbeidsmarkt;
- een extra inspanning van de sociale dienst om te pogen Antillianen aan het werk te krijgen;
- het goed begeleid aanbieden van activiteiten in de drie wijken waar de Antillianen vooral wonen (Beijum, Lewenborg en Vinkhuizen), waardoor ook de hulpverlening een kans krijgt;
een gecoördineerde aanpak van de top 50 overlastveroorzakers;
- en de aanpak van het winkelplein in Beijum-Oost in het kader van de wijkvernieuwing.
Het is een aanpak met vallen en opstaan, maar alleen consequent volhouden kan tot succes leiden.
Waarbij de goeden niet onder de kwaden moeten leiden.

5.5 ‘Uit de goot’
De belangrijkste uitzondering die we maken op ons voornemen om onze maatregelen te concentreren in de 12 stadsvernieuwingswijken is de aanpak van de verslaafden- en daklozenproblematiek. Hoewel deze mensen ook uit deze wijken kunnen komen, is de overlast vaak ook op andere plekken merkbaar. De binnenstad is daar een bekend voorbeeld van.
We streven er naar dat er in 2006 in Groningen geen daklozen meer op straat zijn. We zijn ons er van bewust dat het hier gaat om een buitengewoon weerbarstige problematiek, met mensen die vaak met verschillende problemen kampen. Toch geven we de aanpak van deze problematiek prioriteit. We willen de overlast en ergernis van de Stadjers aanpakken, maar vooral willen we de kwetsbare mensen die het hier betreft nieuwe perspectieven bieden. Ook hier geldt dat wij zorg bieden, maar dat betrokkenen zelf ook het nodige zullen moeten doen.
Het deelprogramma Uit de goot kunnen we zien als een samenvatting van een groot aantal activiteiten en projecten waarvan we de volgende hier noemen: de veelplegersaanpak, dagbesteding voor harddrugsverslaafden en alcoholisten, woonbegeleiding, een goede winterregeling en long-stay faciliteiten voor oudere harddrugsverslaafden, alcoholisten en dak- en thuislozen. Via het bestaande Basiszorg in de Buurt werken we aan preventie en voorkomen we met intensieve hulpverlening door samenwerkende instellingen dat gezinnen of gezinsleden in de goot belanden.


6. Resultaatgerichte sturing
Het gaat uiteindelijk om wat we willen bereiken en om wat Stadjers daarvan kunnen merken. Daarom willen we meer sturen op resultaten.
Sinds de start van het vierjarige project Partners in Welzijn in 2000 hebben we enige ervaring met een methode van periodieke heroverweging van de inzet van welzijns- en zorgmiddelen vanuit vraagsturing. Zonder daar hier uitvoerig op in te gaan, constateren we dat deze methodiek heeft geleid tot vooruitgang.
In plaats van een historisch gegroeide verdeling van middelen over de stad is meer sprake van een verdeling op basis van ervaren problemen. Dat heeft geleid tot een concentratie van de inzet in wijken met een meer dan gemiddelde sociale problematiek. Er is meer samenwerking en afstemming op uitvoerend niveau en er is een beter zicht op de beleidsuitvoering.
Toch zijn op onderdelen verbeteringen wenselijk.

Eenduidig beleidskader
Resultaatgerichte sturing vraagt een helder, eenduidig beleidskader. Veel van onze huidige beleidsnota's bleken onvoldoende discriminerend. In dit deelplan is daarom een poging gedaan te komen tot een heldere omschrijving van beoogde effecten en resultaten en een duidelijk afwegingskader. In bijlage 1 is per doel aangegeven aan welke problematiek het refereert en welke subdoelen daarbij zijn geformuleerd. Tevens staat daar welke instrumenten en programma's worden ingezet om de problemen aan te pakken, met daarbij de beoogde resultaten en effecten. Ook is aangegeven op welke wijze wij die resultaten willen meten.

Beijum-Oost
Voor dit gebied wordt een wijkvernieuwingsplan ontwikkeld waarbij een zestal thema’s centraal zal staan: verbetering winkelcentrum, versterking sociale cohesie, opvoedingsproblematiek, criminaliteit/ (drugs)overlastaanpak, aanpak overlast door Antillianen/Arubanen, en aanpak van achterstanden en achterstandsgezinnen. In Beijum-Oost is geen sprake van een grootschalig woningbouwprogramma. Het gaat hier primair om het op gang brengen van een proces van sociale wijkvernieuwing, het verbeteren van de leefbaarheid en het versterken van de sociale structuur van de wijk. Dit alles erop gericht om Beijum-Oost zijn huidige bevolkingssamenstelling en zijn huidige veelkleurigheid te laten behouden. Dat vereist een geconcentreerde inzet, goede samen-werking met alle betrokkenen, een langjarige inspanning en ondersteuning van de bewonersinzet met behulp van de Heel de Buurtaanpak.
De aanpak van criminaliteit en (drugs)overlast heeft een hoge prioriteit voor de politie en andere instellingen. Voor de overlastaanpak, de Heel de Buurt-aanpak (opbouwwerk) en Ganashi stellen we middelen beschikbaar. Aanvullende middelen zijn met name nodig voor de verbetering van het winkelcentrum en de omgeving ervan, voor leefbaarheidmaatregelen, versterking van de sociale cohesie en aanpak van de opvoedingsproblematiek door het inzetten van het project Basiszorg in de Buurt en schoolmaatschappelijk werk vanuit de Vensterschool.

Kostverloren
Voor de wijk Kostverloren is een wijkvernieuwingsplan in voorbereiding. Belangrijk voor deze buurt is de aanpak van het Van Ostadepark, waarmee ook de Vensterschool een goed bruikbare speelgelegenheid krijgt. De Vensterschool kan door de nieuwbouw van enkele lokalen en de integratie van het speeltuingebouw in de uitbreidingsplannen meer een buurtfunctie krijgen.

Oosterpark
De Vensterschool is gerealiseerd. Door voortzetting en uitbreiding van het Huiskamerproject en tieneropvang kunnen we goede kansen bieden voor de betrokken jeugd. We geven extra aandacht voor een programma gericht op opvoedingsondersteuning en multiprobleemgezinnen (Basiszorg in de Buurt). Met het JOP is een voorziening voor de jeugd gerealiseerd. We moeten in de gaten houden dat hier voldoende jongerenwerkers aan de slag zijn. Met ondersteuning van het supporters-project verminderen we overlast die vooral in deze buurt aan de orde is.

Indische buurt/de Hoogte
In deze wijk werken we op verschillende terreinen aan wijkvernieuwing, leefbaarheid en veilig-heid. Onder meer door sloop en nieuwbouw, woningverbetering, versterking leefbaarheid en veiligheid in het kader van het project Buurt aan Zet en de stimulering van bewonersparticipatie door opbouwwerk en Heel de Buurt-aanpak. Door de verschillende maatregelen meer met elkaar in samenhang te brengen, verwachten we een meer effectieve aanpak te krijgen van de belangrijkste bedreigingen en kansen die deze wijk kent.
Van groot belang is de verdere ontwikkeling van de Vensterschool Koorenspoor, met daarbij vergroting van de mogelijkheden van voorzieningen voor 0-12-jarigen, samenwerking met de buurtcentra, versterking van de locatie Van Oldenbarnevelt, aanpak van de ‘zwarte-school’-ontwikkeling, inzet van een allochtone contactfunctionaris en het Huiskamerproject. Het realiseren van opvoedingsondersteuning en buurtmaatschappelijk werk (Basiszorg in de Buurt) zijn hierbij maatregelen die we in samenhang inzetten.
Op termijn is een verbetering van het accommodatiebestand en het activiteitenprogramma daarvan wenselijk. Mogelijkheden daarvoor onderzoeken we, zoals verbetering dan wel nieuwbouw van buurtaccommodaties als De Karre en De Borg. Het jongeren- en kinderwerk verdient versterking en de mogelijkheden voor sport en spel zullen we vergroten. In het kader van het veiligheidsbeleid heeft de aanpak van drugs- en alcoholoverlast prioriteit. De werkloosheid in de wijk maakt voort-zetting van de werkwijze van Groningen op de Ladder noodzakelijk.
Deze gebundelde, op uitvoering gerichte aanpak en de versterking van de bewonersparticipatie versterken de sociale cohesie.
Bewoners betrekken bij de beoordeling van de uitvoering.
Bewoners hebben een rol bij de formulering van de vraag, maar we willen ze ook betrekken bij de beoordeling van de uitvoering. We hebben inmiddels wat ervaring opgedaan met klanttevredenheids-onderzoeken. Vanaf 2004 wordt dit – naast andere kwaliteitscriteria zoals een klachtenregeling en een actief vrijwilligersbeleid – standaard onderdeel van de opdrachtformulering.

Contractfinanciering
Vanuit ons streven naar een meer resultaatgerichte sturing willen we in plaats van de huidige, goeddeels structurele subsidiëring van instellingen overstappen op contractafspraken voor een bepaalde tijd. We kopen daarmee resultaten: concrete producten en diensten.
Daartoe moeten per onderdeel afspraken worden gemaakt over onder andere wat wordt geleverd, voor welke periode, met welk doel, met welk resultaat, onder welke voorwaarden, tegen welke kosten en op welke afrekenbasis.

Tot zover de hoofdlijnen van de meer resultaatgerichte sturing die wij voorstaan. De uitwerking daarvan zullen wij binnenkort aan u voor leggen.
Tot slot nog iets over de meetbaarheid van doelen. Er past enige relativering bij de vele aandacht die de laatste tijd uitgaat naar 'meetbaarheid'. Soms lijkt het op een vlucht in de bureaucratie. Maar als we er voor waken dat het niet verwordt tot een vorm van cijferfetisjisme, is de aandacht voor concretisering van doelen en het meten van effecten en resultaten gewoon winst. Vooral omdat het ons dwingt om scherp na te denken over wat we bedoelen. Wat willen we nu bijvoorbeeld eigenlijk bereiken als we 'participatie' willen bevorderen, en waar kunnen we aan zien of het beleid dat we daarop inzetten daadwerkelijk effect sorteert?
Want goede bedoelingen alleen zijn niet voldoende. Burgers moeten kunnen ervaren dat er vooruitgang wordt geboekt. De stad moet merkbaar beter worden.

Bijlage 1
UITWERKING VAN DE STADSVISIEDOELEN VANUIT DE SOCIALE PIJLER


In deze bijlage zijn de doelen uit de stadsvisie uitgewerkt waar we ons vanuit de sociale pijler met name op richten:
3. Een stad die schoon, heel en veilig is
4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad
9. Een stad waarin iedereen geïntegreerd is
Het gaat hier om de sociale aspecten van deze doelen.

Achtereenvolgens worden de volgende stappen gezet:
1. Per doel wordt aangegeven over welke problematiek het gaat;
2. De subdoelen, gericht op het verminderen of oplossen van de problemen, worden geformuleerd;
3. Bij die subdoelen worden de instrumenten/programma´s gegroepeerd die deze doelen helpen bereiken;
4. De beoogde resultaten worden op een rij gezet, eerst met een aanduiding van de gebieden waarop een resultaat moet worden behaald;
5. Tenslotte worden de beoogde effecten weergegeven, die uiteindelijk een ‘smart’ geformuleerde vorm (moeten) krijgen;
6. De relaties tussen de doelen en met de andere deelplannen worden benoemd;
7. De meetinstrumenten, beschikbaar en zo nodig nog te ontwikkelen, worden weergegeven.

De stadsvisiedoelen zijn geformuleerd in termen van te behalen maatschappelijke effecten. Dat is ook waar het uiteindelijk om gaat.
Echter: de gemeentelijke overheid is doorgaans maar één van de actoren die de uitkomsten van maatschappelijke processen bepaalt - en lang niet altijd de belangrijkste. Maatschappelijke processen die bovendien vaak buitengewoon complex zijn. Dat maakt het leggen van causale verbanden tussen dergelijke doelen en beleid al gauw tot een hachelijke zaak.
Maar als overheid spelen we wel een rol. Daarom omschrijven we bij de doelen niet alleen welke maatschappelijke effecten (outcomes) we willen bereiken, ook welke concrete resultaten (output) we verwachten van de uitvoering van gemeentelijk beleid. En op resultaten kunnen we afrekenen.



Doel 3: Een stad die schoon, heel en veilig is (onderdeel: veiligheid)
Groningers en bezoekers van de stad voelen zich veilig, zowel in de Binnenstad als in de woonwijken.

Problemen
Burgers van Groningen ervaren onveiligheid in hun stad. Een kwart van de Groningers geeft aan dat hij zich wel eens onveilig voelt in de eigen wijk. Deze onveiligheidsgevoelens worden deels beïnvloed door feitelijke strafbare overtredingen (o.a. inbraken, vernielingen, geweldsdelicten).
Een aantal factoren heeft een sterke impact op onveiligheidsgevoelens; dat zijn:
- onacceptabel en ontoelaatbaar gedrag van individuen en groepen; het gaat hierbij zowel om overlastgedrag van jongeren, als om drugs- en alcohol gerelateerd overlastgedrag;
- verkeersonveiligheid; hierbij gaat het zowel om verkeersonveilig gedrag als om onveilige situaties
- de verwachtingen van burgers t.a.v. handhaving en controle van de overheid op dit gedrag en de mate waarin deze verwachtingen beantwoord worden
- dit geldt eveneens voor de verwachtingen die burgers hebben over de zorg voor de kwaliteit van de openbare ruimte en de inrichting hiervan.
Daarnaast zijn er vormen van “ontoelaatbaar” gedrag die zich voordoen in de privé situatie van mensen, waarbij ingrijpen van de overheid wordt gewenst. Het gaat dan om kindermishandeling en –misbruik, huiselijk geweld.

Subdoelen
1. het (verder) terugdringen van het aantal strafbare overtredingen met name op het gebied van drugsoverlast, jeugdcriminaliteit en jongerenoverlast, geweldscriminaliteit en inbraken (objectieve criminaliteit) in de stad
2. het terugdringen van de verkeersonveiligheid
3. een afname van (subjectieve) onveiligheidsgevoelens, zowel in de Binnenstad als in de woonwijken
4. het terugdringen van het aantal aan drugs/alcohol en jongeren gerelateerde overlastklachten
5. het terugdringen van het aantal overlastklachten
6. het verbeteren van de keten preventie – (snelle) interventie – repressie
7. het verbeteren van de handhaving en controle

Instrumenten/programma’s
• Wijkveiligheidsprogramma’s gebaseerd op de jaarwerkplannen van de basiseenheden van de Regiopolitie, met bijzondere aandacht voor handhaving, controle en de inzet van buurt- en jeugdagenten in de wijken
• Uitvoering Programma Integraal Veiligheidsbeleid 2001-2004, waarin een integrale aanpak van jongerenoverlast en jeugdcriminaliteit
• Versterking van het gemeentelijk handhavingsbeleid
• Programma verkeersveiligheid
• Huiskamerproject Binnenstad
• Toegankelijke en adequate klachtenafhandeling (Meldpunten overlast)
• Verbeterde signalering van uitvoerende (welzijns-, zorg- en onderwijs) instellingen
• Verbetering van de keten preventie – (snelle) interventie – repressie

Resultaten/indicatoren
• een afname van het inbraakrisico (in 2010 tot 20 aangiften per 1000 woningen
• een daling van het aantal aangiften van vernielingen (in 2010 tot 7 aangiften per 1000 inwoners)
• een daling van het aantal aangiften van geweldsdelicten (in 2010 tot 1 aangifte per 1000 inwoners)
• een daling van het aantal verkeersongevallen
• een daling van ervaren (on)veiligheidsbeleving door bezoekers en inwoners van de stad
• een daling van het aantal klachten over overlast en vervuiling en onderhoud van de omgeving

Beoogde effecten
• in 2006 is het stedelijke percentage inwoners dat zich wel eens onveilig voelt in eigen wijk gedaald van 25% naar 20%; een negatieve afwijking van dit stedelijk percentage voor alle wijken in de stad bedraagt niet meer dan 5%; voor 2010 is handhaving van deze streefpercentages het doel.
• In 2004 is het aantal overlastmeldingen afgenomen tot 6 per jaar. Voor 2010 wordt een verdere daling van 10% gerealiseerd.
• Het aantal jeugdige verdachten per 1000 inwoners in de leeftijdcategorie 12 t/m 17 jaar blijft onder de 50 per 1000.
• Het aantal verkeersongevallen is in 2006 gedaald met 10%. In 2010 is een verdere daling van 5% beoogd.

Relaties met overige doelen en deelplannen
Doelen: 4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
7: Een gezonde stad

Deelplannen: SvSE > fysieke leefomgeving
EBP > aantrekkingskracht Groningen

Meetinstrumenten
• politiemonitor (met tevens aandacht voor handelingen/mutaties gericht op controle en handhaving)
• verkeersongevallenregistratie
• leefbaarheidmonitor
• Binnenstadsmonitor
• Registraties wijkmeldpunten
• BORG



Doel 4: Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
Groningers voelen zich thuis in eigen wijk. Zij wonen in een passende woning in een schone, hele en veilige woonomgeving, met een levendige en stabiele sociale structuur, een duurzaam en gezond leefmilieu en een kwalitatief hoogwaardig voorzieningenniveau.

Problemen
De leefbaarheid in (woon)wijken komt vooral dan onder druk te staan wanneer meerdere problemen zich gelijktijdig voordoen en elkaar versterken. Hierdoor krijgen wijkbewoners een gevoel van onbehagen en een negatief toekomstperspectief. Voortgaande en ingrijpende veranderingen in de bevolkingssamenstelling, het ervaren van onveiligheid, overlast door individueel- en groepsgedrag, een verpauperde woonomgeving en verschraling van (wijk)voorzieningen zorgen ervoor dat wijken ‘veranderen’ en bewoners zich er minder thuis voelen. Vaak gaat dit gepaard met het uiteenvallen van de sociale samenhang en de afname van ‘noaberschap’, sociale controle en betrokkenheid van bewoners bij hun buurt en de mogelijkheden (en het gevoel) van bewoners om invloed te kunnen uitoefenen op hun eigen omgeving.
Dergelijke gevoelens leiden tot de wens om (zo spoedig mogelijk) te verhuizen. Een vicieuze cirkel is het gevolg: de inwoners die (financieel) kunnen verhuizen, trekken weg. Migratie werkt instabiliteit in de hand, daardoor neemt de wens om te verhuizen weer toe en tenslotte blijven de bewoners met weinig mogelijkheden (financieel, sociaal en in zelfredzaamheid) achter. Zo ontstaan wijken waarin concentraties aan problemen bestaan. En juist de bewoners van deze wijken verwachten zichtbare zorg en aandacht van de (gemeentelijke) overheid voor hun wijk.

Subdoelen
1. zorgen voor een woningvoorraad die zowel kwalitatief als kwantitatief passend is bij de woonwensen van Groningers, met extra aandacht voor de wijkvernieuwingsgebieden en met extra aandacht voor mensen die op grond van hun inkomen of anderszins onvoldoende in staat zijn via de vrije markt in hun woningbehoefte te voorzien
2. het zorgdragen voor een meer gedifferentieerde woningvoorraad, vooral in de wijkvernieuwingswijken, die kan leiden tot een evenwichtige bevolkingssamenstelling
3. een goed beheer en onderhoud in de (woon)wijken, met nadruk in de wijkvernieuwingswijken
4. zorgen voor voldoende bereikbare en toegankelijke algemene voorzieningen in de wijken (onderwijs, detailhandel, (openlucht)recreatie)
5. het zorgdragen voor noodzakelijke en specifieke aanvullende voorzieningen, afgestemd op de verschillende doelgroepen (welzijn, zorg) in de wijkvernieuwingswijken
6. het vergroten van de veiligheid in die woonwijken die zich onderscheiden door een hoge onveiligheidsbeleving onder de wijkbewoners
7. burgers meer betrekken bij ontwikkelingen en beleidsvoorbereiding, vooral als dat betrekking heeft op hun eigen wijk

Instrumenten/programma’s
• Integrale Wijkvernieuwingsplannen
• Wijkveiligheidsplannen, met speciale aandacht voor buurt/jeugdagenten
• Stadsdeelbeheerplannen met bijzondere aandacht voor handhaving en controle
• Het wijksgewijs samenwerken tussen gemeente en overige betrokken partijen
• Meldpunten Overlast (incl. klachtenafhandeling) en Zorg
• Vensterscholen
• Groningen op de Ladder
• Inbedding Ganashi
• “Onze Buurt Aan Zet”/”Heel de Buurt”, opbouwwerk
• Wijkstreefbeelden Milieu
• Wijkwelzijnsprogramma’s

Resultaten/indicatoren
- Een meer evenwichtiger verhouding tussen huur- en koopwoningen in de wijken door bevordering van het eigen woningbezit
- Een daling van de verhuisgeneigdheid (in de wijkvernieuwingswijken)
- Een daling van het aantal verhuizingen in de wijkvernieuwingswijken (excl. de direct bij herstructurering betrokken complexen)
- Een daling van de onveiligheidsgevoelens en overlastklachten bij (wijk)bewoners
- Een hogere waardering van de (basis)voorzieningen door (wijk)bewoners, met name in de wijkvernieuwingswijken, alsmede een optimaal gebruik hiervan
- Een grotere zelfredzaamheid van bewoners

Beoogde effecten
- In 2006 wijkt het percentage verhuisgeneigden in de wijkvernieuwingswijken niet meer dan 10% (in negatieve zin) af van het stedelijk gemiddelde; in 2010 is dit afwijkingspercentage teruggebracht tot 8%.
- Het percentage verhuizingen in de wijkvernieuwingswijken (excl. de bij de herstructurering betrokken complexen) is in 2006 gedaald met 10%. In 2010 wordt een verdere daling van 5% beoogd.
- in 2006 is het stedelijke percentage inwoners dat zich wel eens onveilig voelt in eigen wijk gedaald van 25% naar 20%; een negatieve afwijking van dit stedelijk percentage voor alle aandachtswijken in de stad bedraagt niet meer dan 5%; voor 2010 is handhaving van deze streefpercentages het doel.
- in 2006 is het aantal overlastmeldingen in de aandachtswijken gedaald met 20%. In 2010 wordt een verder daling met 10% gerealiseerd.
- In 2006 wijkt de beleving van de sociale samenhang in de (wijkvernieuwings)wijken (in negatieve zin) niet meer af dan 1 punt van het stedelijk gemiddelde. In 2010 is deze afwijking teruggebracht tot 0,5 punt.
- De tevredenheid met de voorzieningen in de wijkvernieuwingswijken is in 2006 hoger of gelijk aan het stedelijk gemiddelde; voor 2010 wordt deze doelstelling vastgehouden.
- Het oordeel over de kwaliteit van onderhoud en beheer van de woonomgeving in de wijkvernieuwingswijken is in 2006 hoger of gelijk aan het stedelijk gemiddelde; deze doelstelling wordt voor 2010 gehandhaafd.

Relaties met overige doelen en deelplannen
Doelen: 3. Een stad die schoon, heel en veilig is
6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad

Deelplannen: SvSE > fysieke leefomgeving. wijkvernieuwing

Meetinstrumenten
• Leefbaarheidmonitor
• Wijkvernieuwingsmonitor
• Wijkmeldpuntregistratie (de systematiek in wijze van registreren dient ten behoeve van effectmeting te worden aangepast; opdracht dienst OCSW)
• BORG

Doel 6: Een stad waarin iedereen meedoet
Iedere inwoner van Groningen neemt op haar/zijn eigen wijze deel aan de Groningse samenleving; een deelname die zowel bij zijn/haar behoeften/levenswijze aansluit als bij de gemeenschap en ervoor zorgt dat iedere burger het gevoel heeft dat hij erbij hoort.

Problemen
Het hebben van werk is de belangrijkste vorm waarin mensen actief zijn of participeren.
Niet iedereen heeft werk of is in staat te werken. Oorzaken van werkloosheid kunnen liggen in de arbeidsmarkt en in persoonlijke omstandigheden.

A. Arbeidsmarkt.
Dan gaat het om:
- het niet beschikbaar zijn van werk
- een goed aansluiting van vraag en aanbod

De doelstellingen met betrekking tot de arbeidsmarkt zijn staan in het EBP, het Economisch Business Plan en worden daar verder uitgewerkt.

B. Persoonlijke omstandigheden
Bij persoonlijke omstandigheden gaat het om mensen die persoonlijke kwalificaties ontberen of bij wie sprake is van individuele belemmeringen..
Ons doel is om deze burgers te betrekken bij de Groningse samenleving en hen perspectief te bieden om mee te kunnen doen. Dit is een van de sociale doelen.
Problemen en probleemgroepen zijn:
- onvoldoende opleiding om een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven
- fysieke beperkingen, die belemmerend zijn voor werk en deelname aan maatschappelijke activiteiten
- een gebrek aan basisvaardigheden om zich in de samenleving te kunnen handhaven. Het gaat dan om de groep verkommerden: mensen die verslaafd, (ex)psychiatrisch of dakloos zijn
- de factor leeftijd; dan gaat het vooral om mensen die een klein sociaal netwerk hebben of geen sociaal netwerk.

Subdoelen
1. Mensen met afstand tot de arbeidsmarkt toeleiden naar werk
2. Zorgen dat mensen gebruik kunnen maken van een aanbod voor (vrije) tijdsbesteding
3. Mensen in staat stellen hun sociale netwerk uit te breiden
4. Het vergroten van de zelfredzaamheid van mensen met weinig vaardigheden
5. Voorkomen dat mensen "in de goot" geraken of zorgen dat ze er uit komen

Instrumenten/programma’s
Ad 1: Trajecten gericht op uitstroom naar werk
- Gesubsidieerde arbeid
- Sociale activering
Ad 2: Het organiseren en faciliteren van vrijwilligerswerk
Het aanbieden van dagbesteding zoals:
sociaal culturele voorzieningen
sportieve en culturele voorzieningen
Ad 3: Het aanbieden van activiteiten
Het organiseren van (vrijwillige) huisbezoeken, contactfaciliteiten
WVG- voorzieningen, met name vervoer
Ad 4: Programma's gericht op woonbegeleiding en gestructureerde dagbesteding
Ad 5: Ontwikkelen van een programma "uit de goot", waarin een groot scala aan voorzieningen en activiteiten in een samenhangend verband wordt gebracht

De programma’s ad 1 worden uitgevoerd door de dienst Sozawe en staan in het EBP.

Resultaten/indicatoren
- verhoging van het aantal mensen die op traject gezet zijn
- het bereik van sociaal-culturele, culturele en sportvoorzieningen onder de specifieke groepen: jongeren, ouderen en allochtonen neemt toe:
- het aantal vrijwilligers blijft, in tegenstelling tot landelijke trends, stabiel nl. 25% van de Groninger bevolking
- vergroting van de zelfredzaamheid onder specifieke groepen
- uitstroom en doorstroom uit de opvangvoorzieningen


Beoogde effecten
• opstap voor uitstroom naar werk
• zinvolle dagbesteding
• vergroting van het sociale netwerk (vermindering van sociale isolement)
• versterking van de sociale cohesie in de samenleving
• verminderde overlast


Relaties met overige doelen en deelplannen
Doelen: 2. Iedereen een startkwalificatie
5. Iedereen tevreden in zijn buurt

Deelplannen: SvSE > fysieke woonomgeving
EBP > vermindering werkloosheid

Meetinstrumenten
- rapportages Sozawe en UWV
- leefbaarheidmonitor
- kwantitatieve gebruikersmetingen
- verslagen van instellingen en organisaties
- rapportages en effectmetingen van de concrete programma’s
- OCSW-monitor



Doel 6b: Iedereen een startkwalificatie
Elke jongere van 23 jaar beschikt over een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Startkwalificatie is hierbij gedefinieerd als minimaal beschikken over 2 jaar mbo niveau 2.

NB: EEN BEETJE RAAR ZO. MOET DIT NIET EIGENLIJK GEWOON EEN SUBDOEL ZIJN ONDER DOEL 6? MAAR HET IS WEL ERG UITGEBREID

Problemen
De startkwalificatie is een hoge kwalificatie. Ruim 30% van de jongeren slaagt er niet in een startkwalificatie te behalen. Problemen liggen in:
- het talent van het kind
- het selectieproces en het selectietijdstip: kinderen moeten na de basisschool al een eerste keuze maken
- het milieu, dwz de gezinssituatie waaruit het kind/de jongere komt
- de school en/ of de mate waarin de jongere gemotiveerd is naar school te gaan
- de aanpak van verzuim wordt niet altijd en niet overal consequent uitgevoerd, waardoor kinderen tussen de mazen van het net doorglippen
- de lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid van het kind/de jongere
- het toekomstperspectief van kinderen en jongeren met betrekking tot de arbeidsmarkt

Subdoelen
1. Op zo jong mogelijke leeftijd risico’s op (onderwijs)achterstanden signaleren en maatregelen nemen tot reparatie of compensatie
2. Het aantrekkelijker maken van het onderwijsklimaat, waardoor kinderen zich thuis voelen op school
3. De ouderbetrokkenheid bij school vergroten
4. (Dreigende) (onderwijs)uitval opsporen en aanpakken
5. Kinderen/jongeren in staat stellen hun capaciteiten zo maximaal mogelijk te benutten en hun, als een startkwalificatie buiten bereik is, in staat stellen een zo optimaal mogelijke startpositie voor de arbeidsmarkt te verwerven
6. het verbeteren van het pedagogisch klimaat thuis en de samenhang tussen de verschillende domeinen rond het kind vergroten

Instrumenten/programma’s
• Ouder- en kindzorg, inclusief kinderopvang
• Kansenbeleid, waaronder voor- en vroegschoolse programma’s
• Het Vensterschoolconcept en dit concept ook toepassen in het voortgezet onderwijs
• Programma Gezonde en Veilige school
• Verbetering VMBO
• Opvoedingsondersteuning en Ontwikkelingsstimulering
• Voortijdig School Verlaten
• Verzuimbeleid/leerplichtcontrole, RMC-trajecten
• Scholings- en werkervaringstrajecten via Sozawe
• JJT en SST
• Speciaal (voortgezet) onderwijs
• Intensiveren van programma’s gericht op “Weer samen naar school”

Resultaten/indicatoren
- snellere signalering probleemkinderen, snellere doorverwijzing en integrale aanpak
- verbeterde opvoedvaardigheden
- verbetering van schoolprestaties
- vermindering van spijbel- en schoolverzuimgedrag
- afname van het aantal jongeren dat zonder startkwalificatie de school verlaat
- Verbetering van de arbeidskwalificerende functie van het onderwijs zo dat de startkwalificatie van jongeren op de arbeidsmarkt verbetert
- Daling van het aantal jongeren dat ten hoogste beschikt over een VMBOdiploma in de periode 2002 – 2010 met 10%
- Het percentage (voortijdige) schoolverlaters zonder diploma daalt van 5,7% naar 4,5% in de periode tot 2010

Beoogde effecten
- Hogere zelfwaardering van kinderen/jongeren
- Geïntegreerde benadering van kinderen
- Meer kinderen uit kansarme milieus stromen door naar hogere vormen van onderwijs
- Vermindering overlast door jongeren overdag
- Toeleiding van jongeren naar zinvolle tijdsbesteding
- Toename aantal startkwalificaties

Relaties met overige doelen en deelplannen
Doelen: 6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad
4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat

Deelplannen: SvSE > m.n. wijkplanning incl. voorzieningenniveau waaronder scholen
EBP > aansluiting onderwijs - arbeidsmarkt

Meetinstrumenten
- GOAmonitor
- Cito-toetsen
- Startkwalificaties
- Verzuimrapportages
- Jeugdmonitor
- Evaluaties programma’s (op individueel en groepsniveau)
- Gezondheidsenquête
- Rapportage jeugdwerkloosheid


Doel 7: Een gezonde stad
Iedere inwoner van Groningen heeft een zo groot mogelijke kans op een goede gezondheid; er zijn geen verschillen in gezondheid en inwoners leven meer jaren in gezondheid.

Problemen
Inwoners van de stad vertonen risicogedrag met betrekking tot hun eigen gezondheid: veel Stadjers roken, relatief veel Stadjers gebruiken te veel alcohol; infectieziekten en overgewicht nemen toe.
Ook de leefomgeving kent belemmerende gezondheidsfactoren. Grote verschillen per wijk in SES-scores gaan gepaard met een slechtere gezondheid. Daarnaast kunnen kwetsbare groepen het om diverse redenen niet op eigen kracht redden; de ontoegankelijkheid van zorginstellingen is voor meerdere groepen een probleem.
In een politiek keuzeproces zijn 19 – door de gemeente beïnvloedbare problemen gekozen waarvoor een effectieve aanpak voorhanden is.

Subdoelen
1. Een gezonde fysieke en sociale leefomgeving
2. Een gezonde leefstijl
3. Toegang tot zorgvoorzieningen (voor kwetsbare groepen)

Instrumenten/programma’s
Uitvoeringsprogramma Gezonder Zorgen, bestaande uit drie deelprogramma’s:
Ad 1. De Gezonde Wijk
Ad 2. Versterking gezond gedrag: o.a. door sportaanbod gericht op VMBOjongeren, kwetsbare wijken, ouderen
Ad 3. Kwetsbare groepen: met name allochtonen, ouderen met beperking(en), gehandicapten, probleemjongeren, verslaafden/daklozen/(ex)psychiatrische patiënten

Resultaten/indicatoren
Ad. 1
? Daling van aantal huishoudens waarin sprake is van kwalitatief slecht binnenmilieu (meetbaar: ventilatie, vochtigheid, roken in huis)
? Stijging waardering van de openbare ruimte (schoon, heel en veilig) (meetbaar: geluids-, stankoverlast, veiligheid)
? Een adequate hulpverlening voor mensen met psychische beperkingen (meetbaar: aantal geregistreerde cliënten t.o.v. totaal, daling aantal klachten overlast openbare orde)
? Vergroting van de toegankelijkheid van de openbare ruimte en voorzieningen voor mensen met een functiebeperking (meetbaar: daling aantal knelpunten)
? Vergroting van het aantal mensen met een fysieke beperking dat in eigen woonomgeving kan blijven wonen

Ad. 2
? Versterking opvoeding jongeren (meetbaar: vroegsignalering, aantal contacten)
? Een daling van het aantal gepeste kinderen
? Een stabilisering van de aanvangsleeftijd en het gebruik van genotmiddelen
? Een daling van het aantal kinderen dat begint met roken, een toename van het aantal kinderen dat stopt met roken ten opzichte van de landelijke trend
? Een stabilisering van het aantal kinderen met overgewicht; toename van lichaamsbeweging en gezond voedingspatroon
? Een vergroting van de participatie aan sportactiviteiten
? Daling van het aantal gevallen van geslachtsziekten

Ad. 3
? Een daling van de ontwikkelings-, leer of gedragsproblemen onder de jeugd (meetbaar: aantal zorgkinderen, aantal contacten, aantal adviezen)
? Een adequate hulpverlening voor mensen zonder hulpvraag (stille problematiek) (meetbaar: aantal geregistreerde cliënten t.o.v. totaal)
? Een betere toegankelijkheid van eerste- en tweedelijns zorg voor dak- en thuislozen, asielzoekers en illegalen (meetbaar: aantal cliënten t.o.v. totaal)
? Een adequaat gebruik van zorgvoorzieningen door allochtonen (meetbaar: aantal gevolgde cursussen/ oefeningen, cliënten VETC?)
? Vergroting van participatie en verbetering samenhang tussen wonen, welzijn, zorg en onderwijs voor ouderen en mensen met een functiebeperking (meetbaar: sociale contacten, lidmaatschap)

Beoogde effecten
In 2006 willen we de volgende effecten behaald hebben:
Ad 1. Een positieve waardering van de maatschappelijke en fysieke leefomgeving; daling van het aantal (psychische) gezondheidsklachten m.b.t. de leefomgeving.
Het terugdringen van de gezondheidsverschillen per wijk ten opzichte van de Gezondheidsenquête 2002.
Ad 2. Daling van het risicogedrag dat specifieke doelgroepen vertonen, met name kinderen en jongeren (overgewicht, roken, alcohol, drugs, geslachtsziekten) ten opzichte van de Gezondheidsenquête 2002/Jeugdpeiling 2000 en 2002 of een afremming van een stijgende landelijke trend.
Ad 3. Een groter en effectiever bereik van kwetsbare groepen aansluitend bij de zorgbehoefte en een adequate, bij voorkeur zelfstandige, huisvesting.

Relaties met overige doelen en andere deelplannen
Doelen: 4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
6. Een stad waarin iedereen meedoet

Deelplannen: SvSE > fysieke leefomgeving
EBP > sociaal-economische situatie in verband met de relatie van de SES-scores op
gezondheid

Meetinstrumenten
- Gezondheidsenquête
- Jeugdpeiling
- Leefbaarheidmonitor
- (Jaar)rapportages



Doel 9: Een stad waarin iedereen geïntegreerd is
Iedere inwoner van Groningen, autochtoon of allochtoon, kan op voet van gelijkheid gebruik maken van de mogelijkheden die de Groninger samenleving te bieden heeft.

Problemen
In Groningen wonen mensen die overal vandaan komen. Dat maakt Groningen een multiculturele stad. Het ingroeien in de Nederlandse samenleving gaat niet altijd vlekkeloos, waardoor problemen kunnen ontstaan. Het verschil in culturele bagage brengt bovendien onbegrip met zich mee waardoor de participatie van allochtonen achterblijft. Ook weten instellingen op bepaalde terreinen nog onvoldoende in te spelen op mensen met een andere achtergrond zodat hun bereik onvoldoende is.
Waar sprake is van etnisch-specifieke problemen willen we een extra inspanning plegen om die allochtonen gelijke kansen te bieden. Tegelijkertijd verdient de omgang tussen allochtoon en autochtoon de aandacht. Duidelijkheid over wat ons bindt bevordert de acceptatie van verschillen en het samenleven in buurt en wijk.

Subdoelen
1. De eerste opvang van nieuwkomers is goed geregeld: de Nederlandse taal is geen struikelblok meer en nieuwkomers weten de weg te vinden
2. Minder achterstand in werk en scholing bij allochtonen
3. de hulp- en dienstverlening van instellingen aan allochtonen is op niveau
4. meer allochtonen nemen deel aan het verenigingsleven
5. het gemengd samenleven in de wijken gaat goed en wordt niet als een probleem gezien
6. geen marginalisatie van etnische groepen

Instrumenten/programma’s
Inburgeringsprogramma's
Empowerment
Interculturalisatie
Multiculturele wijkontwikkeling
Integrale doelgroepspecifieke aanpak (bijv. Ganashi)

Resultaten/ indicatoren
ad 1.
- ontwikkeling in-, door- en uitstroom van nieuwkomers
- kwaliteitsniveau bureau inburgering
- ontwikkeling in- en doorstroom eerste opvang in het onderwijs (Prisma, ISK, ISG)
- kwaliteitsniveau eerste opvang in het onderwijs
- realisatie immigratiekantoor

ad 2.
- aantal Sozawe medewerkers dat een cursus gevolgd heeft gericht op omgang met allochtone cliënten.
- Aantal allochtonen met een uitkering
- Aantal allochtonen op traject (indicatie van intake en diagnose)
- Aantal allochtonen dat traject succesvol afgerond heeft (trapje hoger op de ladder)
- Aantal allochtonen dat uitstroomt (indicatie van totale traject, uitstroomniveau, maatschappelijk effect)

ad 3.
- welzijns- en zorginstellingen hebben een plan voor een beter bereik onder allochtonen
- het aantal allochtone deelnemers / clienten van welzijns- en zorginstellingen wordt groter
- de bekendheid van allochtonen met de dienstverlening is vergroot
- het aantal succesvol afgeronde hulp- en dienstverleningscontacten met allochtonen groeit.


ad 4.
- de deelname van allochtonen aan activiteiten van verenigingen en stichtingen groeit
- het aantal allochtone vrijwilligers groeit
- er zijn oplossingen gezocht voor drempels voor deelname

ad 5.
- het oordeel over het gemengd samenwonen in een aantal relevante wijken wordt positiever
- het aantal klachten / incidenten / signaleringen mbt (anti-)discriminatie neemt af
- het aandeel allochtonen op een school is geen punt van zorg meer

ad 6.
- Het aantal Antillianen en Arubanen dat zijn maatschappelijke positie verbetert groeit
- Instellingen zijn ingespeeld op de omgang met Antillianen en Arubanen
- Samen met de doelgroep is een integraal beleid geformuleerd en in uitvoering genomen tbv positieverbetering van Somaliers resp. Marokkanen (bv)
- Er is een instrument om inzichtelijk te maken welke problemen een aantal specifieke nader te benoemen doelgroepen ondervinden bij de integratie en participatie in de Groninger samenleving

Beoogde effecten
Vermindering van achterstanden in werk en scholing bij etnische minderheden
Vermindering van taalachterstanden
Toename van het aantal allochtonen dat zich een geaccepteerd lid voelt van de Groningse samenleving
Grotere participatie van allochtonen in het Groningse verenigingsleven
Meer activiteiten van welke aard dan ook waar brede groepen uit de Groningse samenleving aan meedoen

Relatie met overige doelen en deelplannen
Doelen: 4. Een stad met een voortreffelijk woonklimaat
6. Een stad waarin iedereen meedoet
7. Een gezonde stad

Deelplannen: EBP > terugdringen werkloosheid, met name onder specifieke groepen

Meetinstrumenten
- leefbaarheidmonitor
- minderhedenmonitor
- cito toetsen
- GOAmonitor
- rapportages en registraties van inburgeringsprogramma's