Reactie BBOG op de notitie van het College over SCW– oktober 2003

I. Voorafgaande opmerkingen.
A. De Raad wordt een notitie voorgelegd die totaal niet ingaat op het brede welzijnsbeleid en de Sociale Pijler, maar slechts het accommodatiebeleid in enge zin bevat. Wij kunnen ons niet voorstellen dat dit de gevraagde reactie is op de aangenomen motie van 26 juni 2003 waarin de Raad vraagt om een brede discussie over het Welzijns- en Sociaal Cultureel Werk alvorens te besluiten over de bezuinigingen.
B. De notitie van het College vormt de basis voor een gespreksronde met alle betrokkenen. De uitkomsten van deze overlegronde en eventuele vervolgvoorstellen wil het College in het voorjaar 2004 bespreken met de Raad. Hoe verhoudt zich deze notitie zich met de bezuinigingvoorstellen in het Welzijn en Sociaal Cultureel Werk waartoe de Raad in november besluit bij het vaststellen van de najaarsbegroting? Begrijpen wij het goed dat pas in het voorjaar 2004 daarover wordt besloten?
C. In de notitie wordt regelmatig opgemerkt, dat in het kader van de Sociale Pijler de voorkeur uitgaat naar sociaal culturele activiteiten, die de sociale problematiek in de wijken reduceren. Dit wijst op een doelgroepenbeleid met een repressief, achteraf karakter in plaats van een beleid gericht op een algemeen toegankelijke basisvoorziening met inderdaad waar nodig extra aandacht voor moeilijke situaties. Het is o.a. dit verschil van inzicht, waar de voorafgaande brede beleidsdiscussies eerst over moet gaan, alvorens dit te vertalen naar een accommodatienota.
D. Financiële overwegingen liggen aan de notitie ten grondslag. De gemeente heeft de zaak uit de hand laten lopen.De vraag is of dat op het sociaal cultureel werk verhaald moet worden.


II. Voorstel en oproep

Het lijkt ons gewenst om de functie van sociaal cultureel werk vooraf te laten gaan aan de vraag naar accommodaties. De toekomst van het sociaal cultureel werk in Groningen hangt af van de beleidsachtergrond. Is het sociaal cultureel werk bedoeld voor in principe iedere wijkbewoner of gaat het in het sociaal cultureel werk vooral om het reduceren van problemen in de wijk. Het is consistent (opnieuw) uit te gaan van de nutsfunctie die het sociaal cultureel werk voor alle burgers heeft.

Daarmee spitst het debat voor de buurt- en wijkcentra zich toe op de vraag: zijn de buurtcentra er nu voor de ontwikkeling van sociaal culturele activiteiten in brede zin, in principe voor iedereen. Een opvatting die het BBOG en de professionele instellingen voorstaat. Of dienen de centra er te zijn voor het opvangen van specifieke doelgroepen: het uitgangspunt van het College. Het gaat uiteindelijk om de vraag: zijn de centra nu activiteitencentra of opvanghuizen. De notitie van wethouder Pattje accentueert met name het laatste.

Wij erkennen de problemen die zich in de wijken voordoen. Ook wij hebben er herhaaldelijk op gewezen dat er steeds ’zwaardere’ groepen jongeren naar centra worden geleid. Het is vooral de methode van toeleiding die een aantal centra nu onder toenemende druk zet. De activiteiten dreigen regelmatig onbeheersbaar te worden. De roep om portiers, om de veiligheid van bezoekers en personeel te garanderen, komt daarom ook niet uit de lucht vallen. Ook de terugloop van vrijwilligers is voor een deel hierdoor te verklaren. Het College wil op deze weg doorgaan. Om dit financieel mogelijk te maken ontwikkelt zij een beleid dat voor een deel tot sluiting van centra leidt en een aantal centra een andere functie geeft, nl. die van opvanghuizen.

Daarmee gaat het College een grens over. Het BBOG ervaart het als een groot knelpunt dat accommodaties een steeds prominentere rol krijgen toebedeeld in de opvang van specifieke groepen ter bestrijding van overlast en in strijd met de algemene functie van buurt- en wijkcentra. Wij vinden dat het opvangen van groepen problematische jongeren die met Justitie in aanraking zijn geweest of op het punt staan daarmee in aanraking te komen, die sterk gelieerd zijn aan hard drugs, geen taak voor het sociaal cultureel werk. Laat staan dat deze opvang ten laste wordt gelegd van het budget voor welzijn en sociaal cultureel werk.
Het BBOG stelt voor dat een dergelijke opvang ten principale gedaan en gefinancierd moet worden door de maatschappelijke opvang. Zoals voor dak- en thuislozen en verslaafden de opvang voor de hand ligt in afzonderlijke accommodaties. De maatschappelijke opvang behoort tot de portefeuille van wethouder Paas. Zijn beleid is er op gericht via individuele begeleiding en hulp erger te voorkomen. Daarnaast valt ook een deel toe aan burgemeester Wallage die over veiligheid gaat. De repressie betekent ook een stok achter de deur voor deze jongeren. Dit onderscheidt is van belang om te voorkomen dat het sociaal cultureel werk besmet raakt en door groepen burgers gemeden wordt die wel aangesproken willen worden op hun behoefte aan participatie maar niet vereenzelvigd willen worden met 'raddraaiers'.
Het BBOG roept de Raad op
• dit deel uit het sociaal cultureel werk weg te halen en onder te brengen bij de portefeuilles waar het thuis hoort, nl. bij de wethouder voor zorg Paas en de portefeuillehouder voor veiligheid burgemeester Wallage;
• niet tot sluiting over te gaan van een aantal buurt- en wijkcentra;
• het sociaal cultureel werk te ontwikkelen via de brede opvatting: activiteiten in principe voor iedereen in de wijk!


III. Conclusies en vragen

• Het BBOG deelt de probleembeschrijving van het College over ingewikkelde regelgeving, te laag exploitatiebudget, moeilijkheden bij werving van vrijwilligers en bestuurders.
• De ’wijk’ in de notitie is ondergewaardeerd. Het College accepteert de lage organisatie graad van bewoners in wijken. Het BBOG dringt aan op versterking van de wijken via het aan stellen van samenlevingsopbouwers, om zo doende tot een betere dialoog met wijkbewoners te komen.
• In de notitie is sturing gelijk aan afstemming van die activiteiten die via wijkanalyses zijn vastgesteld. Invloed van de wijk is alleen bij het totstandkomen van de analyse en evaluaties van de tweejaarlijkse wijkanalyses. Het BBOG vindt dit een te statische werkwijze die bewoners doet afhaken. Het BBOG kiest voor de dynamische methode van de WIJK-WIG waarbij de wijk medebesluit over de doelen voor 1 jaar en meedoet aan het proces van doelrealisatie.Wij pleiten wederom voor het organiseren van medezeggenschap van de wijk.
• Sturing betekent het verkleinen van de speelruimte van accommodatiebesturen. Dit is (statutair) in strijd met de eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid van accommodatiebesturen.
• Zonder openbaarheid van de bedrijfseconomische onderzoeken zijn de conclusies niet onderbouwd.
• Het voorgestelde financieringssysteem is een vooruitgang, de onderbouwing ervan dient nader te worden uitgewerkt.
• Het BBOG vraagt zich af welke plaats de activiteitengelden in het geheel krijgen en hoe hoog dat budget is.
• Het BBOG vraagt zich af hoe het College omgaat met accommodaties die niet in eigendom zijn van de gemeente tegen de achtergrond van een op te richten gemeenschappelijk platform.
• De centrale beheerpool moet geheel overeenkomstig de overeenkomst tussen de Gemeente en het BBOG van januari 2002 worden opgezet.
• Het BBOG eist (en we nemen aan de Raad met ons) een concrete berekening van de tekorten.
• Het BBOG heeft grote problemen met het voorstel van het College dat via afstoting van accommodaties het nieuwe bekostigingssysteem moet worden gedekt.
• Een indeling van de stad in 12 verzorgingsgebieden kan een werkbaar model zijn, maar dan wel een herschikking van accommodaties op basis van een brede vraag. Maatwerk per cluster van wijken of verzorgingsgebied verdient de voorkeur boven uniforme aanpak.
• Wanneer tot sluiting van accommodaties wordt overgegaan hoe verhoudt zich dat tot de investeringen die het Oranjefonds heeft gedaan voor modernisering van accommodaties?
• Het invoeren van Plusvoorzieningen wijst het BBOG af. De redenen staan vermeld in ons voorstel.
• Een gebruikersoverleg behoort om praktische en inhoudelijke redenen tot het onmogelijke.Het BBOG wijst op de taken van de samenlevingsopbouwer en het instellen van een Wijk-WIG overleg zoals omschreven in de notitie van Loopplank tot Brug.
• Implementatie van het voorstel van het College duurt te lang in een tijd van economische tegenspoed. Wij dringen aan op een vlotte besluitvorming. Het BBOG acht de plannen van het College te ingewikkeld en op onderdelen te ingrijpend. De kans van onwerkbaarheid is daarmee bijzonder groot. Mislukking van de gespreksronden in wijken op basis van deze notitie is niet ondenkbaar. Dit betekent dan een verspilling van tijd die we niet hebben. Bovendien hoe wil de wethouder de dialoog aangaan met wijkbewoners terwijl hij in de eigen notitie nauwelijks aandacht heeft voor de wijk? Welk doel dient de voorgestelde gespreksronde?
• Het BBOG claimt voor het sociaal cultureel werk tenminste 1,2 miljoen euro: 600.000 euro die niet bezuinigd wordt op WING en 600.000 euro voor het gemelde tekort op het accommodatiebeleid


IV. Toelichting

1. Inleiding, notitie pagina 1:
’ Het idee erachter is dat we vinden dat in alle wijken in Groningen voldoende en goed
uitgeruste accommodaties moeten zijn voor de activiteiten die bewoners er graag willen
zien, dan wel die voor bepaalde groepen van bewoners noodzakelijk worden geacht’ (pag.1).
Het BBOG stemt uiteraard in met het uitgangspunt, dat in alle wijken voldoende en goed uitgeruste accommodaties aanwezig moeten zijn. Echter niet voor activiteiten die bewoners er graag willen ’zien’, maar juist vooral voor activiteiten, waar bewoners graag aan mee willen doen en die bijdragen aan een goed leefklimaat in de wijk en aan de sociale samenhang. Dus activiteiten voor in principe alle bewoners. Nu kan het achterliggende idee worden uitgelegd als dat accommodaties noodzakelijk zijn ter bestrijding van overlast. Zoals bekend heeft het BBOG een ander vertrekpunt sociaal cultureel werk als nutsvoorziening.

2. Huidige situatie en Knelpunten, notitie pagina 2, 3 en 4:
A. Het BBOG kan instemmen met dat deel van de probleembeschrijving, waar het gaat over ingewikkelde regelgeving, te laag exploitatiebudget, moeilijkheden bij werving van vrijwilligers en bestuurders.


B. Verankering in de wijk, notitie pagina 3:
Het College constateert dat veel aan de uitvoering van de diverse nota’s is aan te merken. Het voor een deel niet implementeren van de nota’s heeft grote gevolgen voor alle facetten van functioneren van de accommodaties. Zelfs zo dat het huidige voortbestaan van een aantal wijk- en buurtcentra wordt bedreigd. De huidige tekorten zijn niet zomaar ontstaan. Het huidige budget is niet voor niets ontoereikend. De laatste jaren is dus van gemeentewege uit weinig aandacht geweest voor sociaal cultureel werk. Dat eist zijn tol. Terecht constateert het College dat knelpunten niet zijn opgelost, maar blijven bestaan of zelfs toegenomen.
Een aantal accommodaties zijn daardoor ook inhoudelijk in verval geraakt. Dat heeft weer gevolgen voor binden van actieve vrijwilligers en voor activiteiten ontplooiing van een centrum. Een aantal buurtcentra zijn naar de periferie van de wijk gedrongen met als gevolg dat daardoor de identificatie vanuit de wijk met het eigen of buurtcentrum steeds kleiner is geworden. We waarderen in dit verband het voornemen van het College om aan de begeleiding en ondersteuning een nieuwe impuls te geven. Ondersteuning en begeleiding alleen is niet genoeg. Er zal tegelijkertijd weer een identificatie met het centrum moeten worden ontwikkeld vanuit de wijk. Zoals bekend heeft het BBOG het aantrekken van samenlevingsopbouwers voorgesteld om een brug te slaan tussen de wijk en de accommodatie (zie de notitie van Loopplank tot Brug).

C. Activiteiten en sturing, notitie pagina 3 en 4:
Het feit, dat er weinig afstemming is tussen de verschillende accommodaties m.b.t. geprogrammeerde activiteiten is op zichzelf juist, maar dit ligt vooral aan het 3 jaar geleden totaal wegvallen van de ondersteuning en het faciliteren van de accommodatiewerkgroepen per wijk(combinatie), die juist door de gemeente zelf in het leven waren geroepen.
Overigens voorzien meerdere kaart- sjoel- of dansgroepen op verschillende locaties in een wijk(combinatie) op verschillende tijdstippen wel degelijk in de behoefte van verschillende groepen wijkbewoners.
Het College vult het woord ’sturing’ wel op een geheel eigen wijze in. Sturing is gelijk aan afstemming van activiteiten, maar betekent vooral het bepalen in welke accommodatie lastige groepen dienen te worden ondergebracht. Het moge duidelijk zijn dat Het BBOG over sturing een geheel andere opvatting heeft. We verwijzen in dit verband naar de door het BBOG voorgestelde dynamische WIJK-WIG overleg en de spelregels daarbij.
De College stelt voor in voorkomende gevallen zelf prioriteiten kunnen te stellen m.b.t. activiteiten in een accommodatie. Dit is in strijd met de eigen verantwoordelijkheid van nog steeds zelfstandige accommodatiebesturen; het kan zeer demotiverend werken op de werving van vrijwilligers en bestuurders en juist bijdragen aan een verdere verwijdering niet alleen tussen wijk en accommodatie, maar ook tussen gemeente en burger.

3. Bekostiging van accommodaties, notitie pagina 4, 5 en 6:
A. Het BBOG wil openbaarheid van beide bedrijfseconomische onderzoeken. Zonder openbaarheid zijn de conclusies niet onderbouwd en dus voor ons (en de Raad) niet controleerbaar.

B. Los van het bovenstaande kan in principe de nieuw voorgestelde financiering systematiek als een vooruitgang worden beschouwd omdat het in aanmerking nemen van de individuele stichtingskosten en een vast te stellen aparte vergoeding voor organisatiekosten in principe meer het door het BBOG gewenste maatwerk mogelijk maakt. Wel is een nadere onderbouwing van de m2 bedragen voor de exploitatielasten en het groot onderhoud gewenst. Wat zijn de huidige bedragen?

C. Wat ontbreekt is welke plaats de activiteitengelden krijgen in dit geheel. Bovendien hoe groot is het budget voor activiteiten? Is dit toereikend?

D. Tevens ligt er een belangrijk knelpunt m.b.t. de regie over het groot onderhoud:het is niet mogelijk, dat derden (de gemeente) de regie op zich neemt ( eventueel via een gemeenschappelijk platform) van het onderhoud van gebouwen, die geen eigendom van de gemeente zijn. De eigenaar heeft hier zijn eigen eindverantwoordelijkheid.

E. De centrale beheerpool moet geheel overeenkomstig de overeenkomst tussen de Gemeente en het BBOG van januari 2002 worden opgezet, dit dient blijkbaar nog eens expliciet te worden vastgesteld.

4. Financiën, notitie pagina 6, 7,8
A. De onderbouwing van het tekort van 175.000,- euro en vervolgens van 600.000,- euro ontbreekt geheel. We eisen (en we nemen aan de Raad met ons) een concrete berekening van deze tekorten. Indien deze tekorten zouden kloppen, dan claimt het BBOG op basis van het uitgangspunt van anti-cyclisch investeren een uiteindelijk jaarlijks extra bedrag van minimaal 1,2 miljoen euro (600.000,- voor het vervallen van de bezuiniging op Stichting.WING en 600.000,- voor het gemelde tekort op het accommodatiebeleid).

B. Uit de notitie wordt duidelijk dat het college sociaal cultureel werk vooral bedoelt voor het reduceren van de sociale problematiek in wijken (wat zijn de sociale problemen van de diverse wijken?) Accommodaties zijn daarbij voorwaarden scheppend en kunnen vanwege het streven naar het reduceren van sociale problemen in de wijk van functie veranderen of hun functie verliezen. Door nu minder accommodaties in stand te houden kan financiële speelruimte gecreëerd worden om tot het gewenste (door wie? welk gewenste?) activiteiten aanbod te komen. Verbreding door versmalling. Of ook wel: de accommodatiebesturen krijgen een sigaar uit eigen doos gepresenteerd. De BBOG krijgt de indruk dat de financiële speelruimte niet alleen dient om het gewenste activiteiten aanbod onder dak te brengen, we hebben helemaal nog niet gezien wat dit kost en wat gewenst is, maar is bedoeld om het nieuwe bekostigingssysteem te dekken. Immers het geld voor nieuw beleid (600.000 euro) wordt vooralsnog niet aangewend voor de invoering van het bekostigingssysteem, maar gereserveerd voor het specifieke doelgroepen beleid van de college. Het moet dus ergens anders vandaan komen. Dan maar uit het afstoten van accommodaties. Dat zich hier voor ons een groot probleem aftekent mag duidelijk zijn.

C. Slecht onderhoud kan nooit een argument zijn om een accommodatie te sluiten. Wanneer in het kader van de basis- of de plusvoorziening de accommodatie nodig is, dan is juist modernisering op zijn plaats. De gemeente vergeet hier het lopende programma op basis van de overeenkomst met het Oranjefonds, waarmee binnen korte tijd 28 sociaal culturele accommodaties in de Gemeente Groningen gemoderniseerd zullen worden.
Het BBOG waarschuwt daarbij de gemeente voor contractbreuk op dit punt; het kan zeer schadelijk zijn voor alle contacten in de toekomst met het Oranjefonds (en dus de financiering van vele sociaal culturele activiteiten).
D. De inspanningen van de gemeente zijn fors geweest de laatste 10 jaar als het gaat om het onderhouden van een groot aantal accommodaties. Zeker ook als je daarbij betrekt dat de nieuwe Vensterscholen ook een sociaal culturele functie hebben gekregen. De A-, B-, C- en J locatie indeling was bedoeld voor een evenwichtige onderverdeling van accommodaties. Dat wordt nu anders het gaat om een evenwichtige en meer eigentijdse spreidinggedachte van accommodaties. Het gemiddeld aantal accommodaties voor een gebied in Nederland wordt toegepast op Groningen (op welk onderzoek is dit gebaseerd?). Dat leidt tot 12 verzorgingsgebieden en dus 12 accommodaties. De gemeente hanteert een kwantitatieve norm en spreekt over een verzorgingsgebied met 14.000 inwoners. Het gaat dan om gemiddelden. Het bezwaar daartegen is dat de vraag per verzorgingsgebied verschilt. Bovendien is het onduidelijk hoe de vraag wordt vastgesteld. Er is een actuele vraag naar sociaal cultureel werk en er is een potentiële vraag. De vraag die de gemeente voor ogen zweeft, wordt ingegeven door problemen in de wijk(en).
De A-, B-, C- en J locatie indeling was bedoeld voor een evenwichtige onderverdeling van accommodaties. Het College wil op basis van de kwantitatieve norm komen tot een BPI model. Basisvoorziening (in principe voor iedere bewoner) en Basisplus voorziening (voor het reduceren van problemen in de wijk) en Plus dependances (moeilijk te mengen activiteiten). Streven is basisvoorziening zoveel mogelijk onder te brengen in Vensterschool of andere multifunctionele accommodatie. Het College constateert dat Speeltuinenverenigingen hun functie hebben verloren.
Op zichzelf kan een indeling van de stad in 12 verzorgingsgebieden een werkbaar model zijn. Herschikking op basis van een brede vraag hoeft niet afgewezen te worden. Maatwerk per cluster van wijken (of per verzorgingsgebied) verdient de voorkeur boven uniforme aanpak.
E. De Plusvoorziening als dependance is in strijd met het hele idee om via een federatie of vereniging van besturen per verzorgingsgebied afstemming etc. te organiseren. In een vereniging of federatie kunnen alleen op basis van gelijkwaardigheid de verschillende besturen meedoen. Daar is geen sprake van, wanneer sommige besturen de positie van dependance krijgen en opgelegd krijgen welke activiteiten dienen plaats te vinden.

5. Activiteiten en sturing, pagina 9 en 10
A. Het College wil invloed op de programmering van activiteiten. Met accommodaties afspraken maken over het onderdak brengen van activiteiten en ondersteuning door vrijwilligers waar dat gewenst is (!). Stadsdeelanalyses voor twee jaar bepalen welke activiteiten gewenst zijn. De bewoners zijn betrokken bij het opstellen daarvan en bij evaluaties.De speelruimte van de accommodatiebesturen wordt verkleind.
Deze passages zeggen veel over hoe het College de rol van de gemeente opvat tegenover de burger. Het getuigt van een oud denken en is absoluut niet van deze tijd. Bovendien heeft de statische methode van de stadsdeelanalyse bewezen dat dit niet werkt, juist omdat dit model te traag en te statisch is. Bewoners haken massaal af. Uitvoering laat veel te lang op zich wachten en is vaak al weer achterhaald.

B. Het is te waarderen, dat in de notitie openlijk wordt opgemerkt, dat de ’wijk’ niet voorkomt in het door de gemeente voorgestelde besluitvormingsmodel op het niveau van het verzorgingsgebied Het gemis van de wijk is volgens het BBOG onmogelijk op te vullen via een gebruikersoverleg. Bij dit voorstel wordt duidelijk de totale onkunde m.b.t. de lopende gang van zaken in buurtcentra gedemonstreerd.
Ten eerste bestaan er in de grotere centra op dit moment per centrum enige tientallen gebruikersgroepen. Daar komen dan de meerdere gebruikersgroepen in de kleinere accommodaties nog bij. Dit levert een totaal onwerkbare massa aan gebruikers op, die moeilijk in het door de gemeente voorgestelde Plangroep kunnen deelnemen.Daarbij komt, dat veel accommodaties al gebruikers overleggen kennen. Daarbij is de ervaring , dat men voornamelijk geïnteresseerd is in financiële en organisatorische kwesties m.b.t. de eigen activiteit en niet geïnteresseerd is in overstijgende (wijk)zaken. Het BBOG heeft de opvatting dat het accommodatiebestuur mede gezien moet worden als de vertegenwoordiging van de gebruikers. De vertegenwoordiging van de wijk zal toch echt moeten lopen via de Wijkorganisaties (waaronder ook huurderverenigingen, verenigingen van eigenaren , buurt- en straat comités’s) . Indien deze maar matig of nauwelijks functioneren ligt hier mede een taak voor de door het BBOG voorgestelde samenlevingsopbouwers om de medezeggenschap van bewoners te organiseren.
Het BBOG neemt afstand van rolopvatting van de locale overheid die burgers onmondig maakt. Daarnaast neemt het BBOG aan dat de onwerkbaarheid van de voorgestelde Plangroep genoegzaam is aangetoond In dit verband verwijzen wij nogmaals naar aan te stellen samenlevingsopbouwers en een op te richten dynamische WIJK-WIG.


Namens het Buurtcentra Besturenoverleg Groningen,


Coen van der Heijde, voorzitter

Derk Jaap Bessem, secretaris


Samenvatting accomodatie nota.
(uitgebracht door de gemeente Groningen)

Wijkindeling

Kaart

In deze notitie wordt het beleidsveld sociaal cultureel werk nader beschouwd en worden richtingen aangegeven om de huidige knelpunten op te lossen.

1. INLEIDING.
Als je met inwoners van Groningen spreekt dan zijn ze over het algemeen redelijk tevreden met hun stad. Da's mooi. Toch hebben zij nog wel wensen voor de wijk waarin ze wonen. En zij niet alleen, wij, het gemeentebestuur, ook.
Wij realiseren ons dat de ene wijk de andere niet is. Zo wonen er bijvoorbeeld in de ene buurt verhou-dingsgewijs meer ouderen dan in de andere en in een andere wijk weer meer jonge gezinnen.
En al deze verschillende groepen bewoners hebben ook allemaal verschillende wensen.
Daarnaast beschikken de verschillende wijken in Groningen niet allemaal over dezelfde voorzienin-gen. Dat hoeft geen probleem te zijn zolang de activiteiten voor de wijkbewoners én de beschikbare voorzieningen maar goed op elkaar aan sluiten. Met andere woorden: zolang er bij voorbeeld in wijk A maar voldoende te doen is voor jongeren. En zolang er in het buurthuis bij voorbeeld maar een ge-schikte ruimte is voor een kinderclub.
Dit zijn natuurlijk maar voorbeelden. Het idee erachter is dat we vinden dat in alle wijken in Gronin-gen voldoende en goed uitgeruste accommodaties moeten zijn voor de activiteiten die bewoners er graag willen zien, dan wel die voor bepaalde groepen van bewoners noodzakelijk worden geacht. Daarnaast is het vanzelfsprekend dat die accommodaties goed worden bestuurd en beheerd.
Overigens, als we het hebben over accommodaties of voorzieningen, dan bedoelen we de sociaal -culturele accommodaties. Zeg maar, alle buurthuizen, wijkcentra, jeugd- en jongerencentra en de speeltuingebouwen.

Hoe bereiken we nou wat we hiervoor hebben geschetst? Wij hebben een analyse gemaakt van wat naar ons oordeel de huidige knelpunten zijn. We doen in deze nota voorstellen om die knelpunten op te lossen. We willen graag weten of andere betrokkenen onze analyse en onze voorstellen delen. Onge-twijfeld hebben zij er zelf ook al over nagedacht. We horen hun opvattingen graag. Daarom gaan we in het najaar praten met besturen van welzijnsaccommodaties, instellingen met een aanbod op het gebied van welzijn en zorg, speeltuinverenigingen en buurtbewoners.
Deze nota is de basis om die gesprekken in het najaar te voeren.

2. KORTE TERUGBLIK

In 1997 heeft de gemeenteraad de nota “Over de drempel” vastgesteld. Deze nota over de sociaal-culturele accommodaties in de stad was het begin om aanbod, kwaliteit, beheer en subsidiëring van de accommodaties verder te verbeteren. De nota “Alle drempels weg” (ADW) van eind 2000 verscheen om een aantal uitvoeringsacties in gang te zetten. Deze hadden met name betrekking op:
• een nieuwe manier van subsidiëren, waarbij de algemeen toegankelijke accommodaties gelijk worden gesubsidieerd;
• het afsluiten van budgetcontracten met de accommodatiebesturen over hun prestaties in de vorm van een bepaalde bezettingsgraad;
• een hogere bezettingsgraad, en beter onderhoud en beheer;
• investeren in nieuw- en verbouw en extra beheerders aanstellen.

We zijn inmiddels een aantal jaren verder. Helaas bestaan sommige knelpunten nog steeds. Dit heeft te maken met te hoge verwachtingen rond de financiering (onder meer in het kader van het SSP) en met het feit dat een aantal voornemens sinds het uitkomen van de nota niet is uitgevoerd. Zo hebben ge-meente en de instellingen in gezamenlijkheid te weinig aandacht kunnen besteden aan de onderhouds-situatie van de accommodaties, heeft het toegezegde historisch bedrijfseconomisch onderzoek naar de realiteit van de nieuwe subsidiesystematiek te lang op zich laten wachten en is de aanpak van de be-heerproblematiek onvoldoende van de grond gekomen.

De genoemde knelpunten omvatten het totale systeem van in stand houden, financiering, bestuur, ge-bruik en beheer van de accommodaties. Dat maakt het direct ook zo moeilijk om verbeteringen door te voeren. Daarom zullen we het hele systeem moeten aanpassen aan de beleidsprioriteiten en aan de beschikbare financiële middelen.

Ons ideaal is een situatie, waarin we alle door ons gesubsidieerde accommodaties niet alleen op een verantwoorde wijze kunnen exploiteren, maar ook kunnen beheren en onderhouden. Dat is nu in onvoldoende mate het geval. In feite riskeren we door de huidige subsidiesystematiek het voortbe-staan van een aantal wijk- en buurtaccommodaties.

De besturen hebben ons al langer duidelijk gemaakt dat de in de ADW-nota ontwikkelde bekostigings-systematiek qua grondslag te grofmazig is en maatwerk bemoeilijkt. Verder hebben ze aangegeven dat de norm voor het vaststellen van de exploitatiesubsidie te laag is. Daarnaast hebben zij door nieuwe wetgeving steeds minder mogelijkheden om eigen inkomsten te verwerven.
Het is dan ook niet overdreven om te zeggen dat we in de accommodatiesfeer een fors financieel probleem hebben.

Maar dat is niet het enige vraagstuk. De hoeveelheid accommodaties, de verankering van het sociaal-cultureel werk in de wijk, de positie van vrijwilligers, de activiteiten en de wijze van sturing: het zijn volgens ons allemaal zaken die nauw verwant zijn aan de financiële problematiek.

3. HUIDIGE SITUATIE EN KNELPUNTEN

We hebben de afgelopen tijd dus gemerkt dat de knelpunten rond de sociaal-culturele accommodaties zich op meerdere terreinen bevinden. Het gaat niet alleen om financiering, maar ook om activiteiten, beheer, spreiding en sturing. In dit hoofdstuk gaan we daar verder op in. Wij vinden het belangrijk om deze knelpunten goed te benoemen, zodat duidelijk is wat we in de toekomst moeten aanpakken. Daar komt nog bij dat wij van mening zijn dat we die knelpunten niet afzonderlijk, maar in samenhang met elkaar moeten oplossen.
Waarschijnlijk zal niet iedereen evenveel last hebben van de genoemde knelpunten. In de gesprekken die we in het najaar willen voeren horen we graag van onze gesprekspartners of zij de knelpunten her-kennen, er ook last van hebben en hoeveel.


a. Subsidiesystematiek
Accommodaties worden thans op verschillende wijzen gesubsidieerd. Sommigen op “begrotingsbasis” en anderen op basis van een bedrag per m2. Het systeem van de nota’s “over de drempel”en “alle drempels weg” is niet volledig ingevoerd. In feite verkeren we nog steeds in de overgangsfase. Voor een aantal accommodaties pakt de huidige situatie voordelig uit, maar in andere gevallen zijn de hui-dige subsidies te laag om een accommodatie goed te kunnen laten draaien.

Daar komt bij dat de eigen inkomsten van de accommodaties flink onder druk staan. Allereerst wordt de drank- en horecawet strenger toegepast en daarnaast staat er in de nieuwe tabakswet een rookver-bod voor sociaal-culturele instellingen. We verwachten dat er hierdoor minder bezoekers komen. Dit betekent voor de accommodaties ook minder eigen inkomsten. Tot nu toe gingen we er bij het geven van subsidies van uit dat de accommodaties ongeveer 35% van het benodigde geld zelf konden op-brengen. We houden er rekening mee dat dit in de toekomst steeds moeilijker wordt.

Vanuit de gemeentelijke optiek moet daar aan worden toegevoegd dat het huidige budget voor onder-houd, exploitatie en beheer ontoereikend is om alle accommodaties op een verantwoorde wijze in stand te houden.


b. Accommodaties en de spreiding daarvan.
Groningen kent –zeker in verhouding met andere steden- een groot aantal welzijnsaccommodaties. Dat geldt zeker als we daar het relatief grote aantal gebouwen van speeltuinverenigingen bij tellen. De bestaande accommodaties zijn echter niet evenwichtig verspreid over de stad. Sommige wijken zijn overbedeeld, sommige onderbedeeld. Zo is het historisch gegroeid en in die situatie hebben we nooit verandering gebracht.
Bovenop het al vrij grote aantal accommodaties hebben we ook nog eens onze Vensterscholen - er zijn er inmiddels 10- in de wijken gezet. Vensterscholen vervullen, doorgaans met groot succes, voor een deel ook de functie van een wijkcentrum en er vinden inmiddels tal van sociaal-culturele activiteiten plaats, bij voorbeeld in de naschoolse sfeer.
Al met al is dat reden genoeg om eens met een kritisch oog te kijken naar het aantal accommodaties en de spreiding ervan.

c. Verankering in de wijk
Wijk- en buurtaccommodaties konden nog niet zo lang geleden rekenen op een vrij vaste groep vrij-willigers vanuit de wijk, die zich samen verantwoordelijk voelden voor het reilen en zeilen van het betreffende centrum. Die situatie is inmiddels vrij ingrijpend veranderd. De identificatie vanuit de wijk met het eigen wijk- of buurtcentrum is steeds kleiner geworden.

Het wordt steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden.Vooral jongere mensen bieden zich niet meer spontaan aan. Ook het behouden van de bestaande groep vrijwilligers blijkt moeilijk. Er wordt steeds vaker een groter beroep op hen gedaan, vanuit verschillende sectoren (sportverenigingen, scholen, kerken enzovoorts). Daar komt nog bij dat door nieuwe wetgeving (bijvoorbeeld op arbogebied, rond veiligheid, aansprakelijkheid) de taken van vrijwillige bestuurders steeds zwaarder worden. Ook voor de vrijwilliger die de activiteiten begeleidt is het niet meer zoals vroeger: hun klanten zijn kritischer geworden en vaak ook lastiger.

Dit leidt tot een situatie waarin de vrijwilligers die er nu nog in de wijk- en buurtcentra zijn, hun taak steeds moeilijker gaan vinden, maar waarin ze niet kunnen stoppen, omdat er niemand achter hen klaar staat om de taken over te nemen.
Wij hebben groot respect voor de stadjers die momenteel in de accommodaties werken. Maar we reali-seren ons dat er qua ondersteuning en begeleiding een impuls gegeven moet worden om het werk de continuïteit te kunnen geven die het verdient.

Naast het nijpende vraagstuk van het afnemend aantal vrijwilligers bij de begeleiding van activiteiten hebben we ook te maken met het gegeven dat het steeds moeilijker wordt om bestuursleden uit de wijk voor de accommodaties te vinden.

d. Activiteiten en sturing
Het huidige aanbod van activiteiten in de accommodaties is vaak zodanig samengesteld dat niet alle groepen wijkbewoners die wij willen bereiken, ook daadwerkelijk worden bereikt.
Sommige besturen en beheerders lopen ook niet altijd even warm voor het organiseren van bepaalde activiteiten. En die activiteiten zijn soms net nodig om problemen in een wijk (deels) op te lossen.
Daarbij hebben wij ook moeten constateren dat onvoldoende afstemming plaats vindt tussen de ver-schillende aanbieders van activiteiten in de wijk.

Dat levert problemen op, wanneer wij, in het kader van de Sociale Pijler van mening zijn dat die acti-viteiten nou net nodig zijn om de alom gesignaleerde problemen in de wijk aan te kunnen pakken. Die problemen worden dus nog eens verergerd door de constatering dat besturen van wijkaccommodaties onvoldoende met elkaar afstemmen voordat de programmering van de accommodatie tot stand komt.

In het kader van de Sociale Pijler gaat het ons er om dat we de activiteiten, die we in een bepaalde wijk noodzakelijk achten, ook in die wijk een plek kunnen geven in de wijkaccommodaties, zonder dat we daarbij afhankelijk worden van de prioriteiten van een accommodatiebestuur. Dan moet het natuur-lijk wel gaan om activiteiten die de gemeenteraad in het kader van de begroting van de Sociale Pijler heeft geaccordeerd. En uiteraard gaat het om activiteiten die we hebben geformuleerd nadat we met wijkbewoners, wijkorganisaties en welzijnsorganisaties over de problemen in de wijk van gedachten hebben gewisseld.

Wij willen dus toe naar een situatie waarbij de uit te voeren activiteiten leidend zijn en de accommoda-ties voorwaardenscheppend. Wij zoeken daarbij naar een oplossing waarmee adequate sturing kan plaats vinden; sturing in die zin dat er vanuit de wijken afstemming plaats vindt over de vraag welke activiteiten het best in welke accommodatie kunnen worden geprogrammeerd. Dit creëert ook duide-lijkheid naar de accommodatiebesturen en in het verlengde daarvan het binden en boeien van vrijwilli-gers

Voor de benoemde knelpunten worden in de volgende hoofdstukken oplossingsrichtingen aangedra-gen.

4. BEKOSTIGING VAN ACCOMMODATIES

Wij hanteren voor de openstelling van een deel van de accommodaties nu een normbedrag per vier-kante meter. De accommodatiebesturen hebben eerder aangegeven dat zij moeilijk met dit normbedrag uit de voeten kunnen. Er bestaan onder meer grote verschillen in de (historische) stichtingskosten en de post groot onderhoud. De diversiteit is dus te grofmazig voor een individuele, accommodatiespeci-fieke benadering. Dit vraagt om meer maatwerk.

Wij hebben vervolgens een historisch bedrijfseconomisch onderzoek uitgevoerd om na te gaan in hoeverre deze verschillen zijn te herleiden naar een adequaat normbedrag.
Daaruit bleek dat door de wijze van verantwoording, het niet scheiden van bruto/netto-bedragen, kos-tenposten die onderling verschillen etc., het niet mogelijk is gebleken tot een transparante en daarmee onderbouwde normering te komen. Een tweede onderzoek door Deloitte & Touche kwam tot dezelfde conclusie.

De gemeentelijke subsidies zijn thans niet volledig kostendekkend (65%).
De verantwoordelijkheid voor aanvullende financiering (35%) ligt in de huidige situatie bij de ac-commodatiebesturen. Als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving, zoals de Horecawet en de Ta-bakswet, wordt het voor de accommodaties steeds moeilijker om extra inkomsten te verwerven.
Daar komt nog eens bij dat aan de verantwoordelijkheid voor het draaien van een accommodatie steeds hogere (=professionelere) eisen worden gesteld. Meer professionaliteit kost echter ook meer geld.

Al met al voldoende redenen om op zoek te gaan naar een bekostigingssystematiek en -niveau die bovengenoemde bezwaren wegnemen.
Wij willen daarvoor in hoofdlijnen aansluiten bij de systematiek zoals die bij het onderwijs wordt ge-hanteerd. En die duidelijk en transparant is. Daar is het zo dat voor alle basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs dezelfde bekostiging geldt, terwijl de omstandigheden per school behoorlijk kunnen verschillen. Het systeem voldoet echter, maakt maatwerk mogelijk en het geeft de scholen ook voldoende vrijheid om het geld in te zetten zoals hen goeddunkt.

Deze systematiek ziet er op basis van landelijk onderzoek en vertaald naar sociaal-culturele accommo-daties als volgt uit.

We maken onderscheid naar drie hoofdcomponenten te weten de huisvestingslasten (a), exploitatie-lasten waaronder organisatiekosten (b) en personeelskosten (c). Nader onderverdeeld in:
• a: stichtingskosten (kapitaallasten, huur of hypotheeklasten, verbouwkosten)
• a: groot onderhoud (planmatig groot onderhoud aan de buitenkant van het gebouw;
• b: exploitatielasten (bestaande uit energie, water, heffingen, verzekeringen, onderhoud bin-nenkant etc.);
• b: organisatiekosten (administratie, bestuurskosten etc.);
• c: personeelskosten (voor het facilitaire beheer van het gebouw).

Stichtingskosten
Deze kosten zijn moeilijk te beïnvloeden en verschillen nogal per accommodatie. Wij stellen voor de feitelijke kosten in principe volledig te vergoeden, mits die kosten reëel en erkend zijn en het bestuur zich als een goede huisvader gedraagt.

Groot onderhoud
In het huidige systeem maakt de reservering voor groot onderhoud onderdeel uit van het normbedrag. In de praktijk is echter gebleken dat over het algemeen de financiering van groot onderhoud geen deel uitmaakt van de exploitatie, maar afhankelijk is van het eventuele exploitatieoverschot. Hierdoor is er geen garantie dat noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dit breekt de accommodatie(besturen) en de gemeente op termijn op.
Wij willen daarom overgaan tot het instellen van een gemeentelijk budget groot onderhoud, dat uitgaat van een vast bedrag per m2 (€ 12). Op basis van een aanvraag van de instelling wordt bezien of de kosten reëel zijn en erkend kunnen worden en binnen de budgettaire mogelijkheden kunnen worden uitgevoerd. De planning van de onderhoudswerkzaamheden willen wij afstemmen met een nog nader te formeren platform van accommodatiebesturen

Exploitatielasten
De feitelijke exploitatie van de accommodatie ligt bij het bestuur. De vaste basiskosten om het gebouw in te richten, te verlichten, te verwarmen en te beveiligen zijn weliswaar beter te beïnvloeden dan de stichtingskosten, maar feitelijk komen ze bij iedere accommodatie in vergelijkbare mate voor. Wij willen dan ook uitgaan van een genormeerd bedrag per m2 van € 50. Dit bedrag past binnen de lande-lijke normen, maar de toekomst zal moeten uitwijzen in hoeverre de lokale omstandigheden of speci-fieke situaties aanleiding geven om tot een aanpassing van dit bedrag te komen.
Wij zijn er van overtuigd dat het –gezien de aangescherpte wetgeving- onhaalbaar is de accommoda-ties zoals nu een verdiencapaciteit van ongeveer eenderde van de exploitatielasten op te leggen.
Aan de andere kant kan het ook gewenst zijn dat accommodatiebesturen worden gestimuleerd hun ruimtes waar mogelijk efficiënt te verhuren. Wij willen daarover graag het gesprek aangaan met de accommodatiebesturen, waarbij wij als uitgangspunt nemen een verdiencapaciteit van 10-20%.

Organisatiekosten
Vergoedingen in de administratieve sfeer, zoals administratie-, bestuurs- en accountantskosten zijn nu versleuteld in de subsidieverstrekking. Aangezien ze wezenlijk onderdeel uitmaken van de beheerstaak willen wij ze aan een nog nader vast te stellen vergoeding per accommodatie/instelling koppelen.

Personeelskosten/beheerproblematiek
Binnen de accommodaties werken nu verschillende soorten medewerkers die zorgdragen voor het “runnen” van het gebouw. De rechtspositie varieert van CAO-personeel, WIW/ID-banen tot vrijwilli-gers. Het overgrote deel van het personeel is in dienst van Wing, maar er zijn ook besturen die zelf de rol van werkgever vervullen of (extra) personeel via Wing betrekken.
De werkzaamheden variëren van schoonmaak, conciërgetaken, zakelijk beheer, klein onderhoud tot begeleiding van activiteiten.

Om optimaal gebruik te kunnen maken van de sociaal-culturele accommodaties is het van belang dat het facilitaire beheer goed geregeld is. Daarop is voor een belangrijk deel het succes van de Venster-scholen gebaseerd. Professionaliteit, kwaliteit en continuïteit zijn daarbij sleutelbegrippen. Tegen deze achtergrond is al eerder besloten bij de invulling van de additionele werkplekken (WIW/ID) Wing in te schakelen en voor het vervolg uit te gaan van een stedelijke beheerpool.

Het huidige diffuse beeld en ook de kwetsbaarheid (zowel voor besturen als de medewerkers) van een aantal accommodaties is al langer bekend en op verschillende plaatsen besproken. Het heeft tot op heden echter nog niet tot een eensgezinde aanpak geleid. De recente ontwikkelingen op het gebied van de additionele arbeid en de heroverweging van de gemeentelijke middelen dwingen ons om op korte termijn tot een keuze te komen. Onze ideeën gaan daarbij is nog steeds uit naar het opzetten van een centrale beheerpool die voor wat betreft de werkgeversrol wordt aangehaakt bij een bestaande instel-ling en waarbij de mogelijkheden op het gebied van additionele arbeid zoveel mogelijk worden benut.

Op het moment van het schrijven van deze nota is nog niet duidelijk op welke wijze en tegen welke kosten de huidige ID-banen weer in de welzijnsaccommodaties voor de beheertaken kunnen worden ingezet. Zodra daar meer duidelijkheid over bestaat willen wij met de besturen een methodiek ontwik-kelen om te bepalen hoeveel uren van de diverse facilitaire taken per accommodatie minimaal nodig zijn. Teneinde zoveel mogelijk winst te behalen uit het bundelen van krachten en daarmee ook het perspectief van het personeel in de pool te vergroten, zouden wij de beheerpool niet alleen willen in-zetten bij de sociaal-culturele accommodaties, maar ook bij de multifunctionele gebouwen en de Ven-sterscholen. Daarbij is het de opgave om er voor te zorgen dat het beschikbare budget voor het beheer van deze accommodaties in de nieuwe constellatie van welzijnsaccommodaties toereikend zal zijn.

Samengevat: De stichtingskosten willen wij in principe voor rekening van de gemeente laten komen. Voor groot onderhoud, de exploitatie en de organisatiekosten willen wij uitgaan van normbedragen. De gemeente voert de regie over het onderhoudsbudget en de accommodatiebesturen krijgen de be-schikking over de bedragen voor de exploitatie en de organisatie. Voor de beheerproblematiek zal een methodiek worden ontwikkeld.


5. FINANCIEN
Voor wat betreft de accommodaties is er in de huidige situatie sprake van een structureel tekort van € 175.000. Als we de voorgestelde bekostigingssystematiek integraal toepassen op alle bestaande ac-commodaties, loopt dit tekort op naar € 600.000 per jaar, uitgaande van 100% exploitatie subsidie (dus zonder eigen verdiencapaciteit).
Dat leidt tot de vraag of we onze middelen voor nieuw beleid in de welzijnssector bij voorkeur zou-den willen aanwenden voor het in stand houden van alle thans bestaande accommodaties. Wij be-antwoorden die vraag vooralsnog ontkennend.

In het kader van de Sociale Pijler geven we de voorkeur aan activiteiten en programma’s om de sociale problematiek in wijken zo goed als mogelijk is te kunnen reduceren. De beschikbaarheid van goed onderhouden, goed te exploiteren en goed te beheren accommodaties is daarbij een randvoorwaarde. De huidige accommodaties zijn daarbij wel het vertrekpunt, maar niet noodzakelijkerwijs het eind-punt. Het verdient kortom aanbeveling nauwkeurig in kaart te brengen welke accommodaties we echt nodig hebben.

De gedachtegang dat accommodaties voorwaardenscheppend zijn aan de activiteiten kan dus beteke-nen dat een aantal accommodaties van functie zal veranderen of zijn functie zal verliezen. Daarmee kan financiële ruimte worden gecreëerd voor de wel in stand te houden accommodaties. Ook een ande-re spreiding van de accommodaties kan leiden tot financiële speelruimte.
Vooralsnog koersen wij er op om met instandhouding van het huidige budget voor accommodaties te komen tot een optimale spreiding van accommodaties over de stad, waarmee we in staat zijn om het gewenste activiteitenaanbod onder dak te brengen.
Uit een onderzoek in 1998 naar de staat van onderhoud van de buurt- en wijkcentra bleek dat er veel achterstallig onderhoud was. In “Alle Drempels Weg” stond daarom een meerjarenplanning. Deze is vanwege de beperkte financiële middelen nog niet volledig uitgevoerd. Dit zal voor de komende jaren ook nog de nodige aandacht vragen.
Overigens kan de staat van onderhoud ook een argument zijn een accommodatie niet langer open te houden.


6. ACCOMMODATIES EN DE SPREIDING.
Tot nu toe hebben wij voor de indeling van sociaal-culturele accommodaties gewerkt met een A,B, C of J-aanduiding. A staat dan voor stedelijk/stadsdeel, B voor de wijk en C voor de speeltuingebouwen. Verder hebben we dan nog de J voor specifieke jeugdaccommodaties.
Vanuit een evenwichtige en meer eigentijdse spreidingsgedachte zouden wij tot een andere indeling en onderverdeling willen komen.

Hoeveel welzijnsaccommodaties hebben we eigenlijk nodig?
We hebben in Groningen een groot aantal welzijnsaccommodaties. Dat is aan de ene kant een rijkdom en aan de andere kant, zoals we in het vorige hoofdstuk uiteen hebben gezet, ook een last. We hebben ons de vraag gesteld wat eigenlijk een verzorgingsgebied zou moeten zijn van een welzijnsaccommo-datie. Daartoe hebben we gekeken naar wat gemiddeld genomen in Nederland gebruikelijk is.

Op basis van globale landelijke cijfers is bekend wat het gemiddelde verzorgingsgebied is voor be-paalde soorten accommodaties. Deze theoretische schaal kan worden ingekleurd naar lokale omstan-digheden. Vertaald naar sociaal-culturele accommodaties betekent dit een verzorgingsgebied met tus-sen de 10.000 en 20.000 inwoners.
Als we daar lokale correctiefactoren op loslaten zoals de bebouwingsdichtheid, de zwaarte van de problematiek en het feit dat studenten niet of nauwelijks gebruik maken van sociaal-culturele voor-zieningen, komen we in Groningen tot een gemiddeld verzorgingsgebied van rond de 14.000 inwo-ners.
Dit leidt tot het voorlopige aantal van 12 verzorgingsgebieden en dus ook 12 sociaal-culturele ac-commodaties in de stad.

We hebben geprobeerd die 12 verzorgingsgebieden op een zo logisch mogelijke manier over de stad te verdelen. Daarbij is ook zoveel mogelijk rekening gehouden met de beleving van bewoners van wat “bij elkaar horende delen van de stad” zijn. We zijn zoveel mogelijk uitgegaan van clusters van be-staande wijken. En verder hebben we als uitgangspunt genomen dat de verzorgingsgebieden altijd binnen de bestaande stadsdeelgrenzen moeten liggen. (zie bijgevoegd kaartje.) Voor alle duidelijkheid: het genoemde aantal van 12 gebieden dekt dus de hele stad en dat dit aantal van 12 valt toevallig sa-menvalt met het aantal van de wijkvernieuwingsgebieden, is slechts toeval.

Een model voor spreiding
In de Sociale Pijler hebben wij aangegeven dat er in de hele stad voorzieningen moeten zijn op een sober maar verantwoord basisniveau. Voorzieningen die bedoeld zijn voor iedere burger in de stad. Maar er zijn ook mensen of wijken voor wie dat basisniveau niet voldoende is en waar we extra inzet willen plegen.
Vanuit deze gebiedsgerichte en doelgroepgerichte benadering komen we voor het sociaal-cultureel werk dan tot 12 verzorgingsgebieden waar we een zogenaamde BASISvoorziening in stand willen houden. Deze basisvoorziening is in principe een multifunctionele voorziening en is dus gericht is op alle bewoners in de wijk. De invulling van het basispakket zal overigens niet in ieder gebied hetzelfde hoeven te zijn, omdat dit afhankelijk is van de samenstelling van de wijk. Jongeren en ouderen vragen nu eenmaal om andersoortige activiteiten.

In wijken/buurten waar sprake is van een concentratie van problemen of achterstandssituaties willen wij door middel van extra inzet/activiteiten de betreffende problematiek verminderen. Dit zal zich met name voordoen in de wijkvernieuwingsgebieden.
Deze extra activiteiten benoemen wij als PLUSvoorziening. Plusvoorzieningen zijn gericht op speci-fieke doelgroepen; daar is dan ook vaak maatwerk bij nodig.

Wij gaan er in principe van uit dat in een basisaccommodatie ook heel goed plus-activiteiten kunnen plaatsvinden. Maar de omvang van het gebied, de verscheidenheid aan problematiek en activiteiten die zich slecht laten mengen (jongerenactiviteiten), kan heel goed leiden tot één of meer aparte plusac-commodaties. Dat kan ook het geval zijn als voor ouderen de fysieke afstand tot de dichtstbijzijnde accommodatie een grote belemmering vormt. Wel willen wij deze plusvoorziening(en) min of meer beschouwen als een dependance/satelliet van de basisvoorziening.

Door de Vensterscholen hebben we geleerd dat met een grotere omvang van het gebouw en de diversi-teit aan gebruikers er flexibeler kan worden ingespeeld op de veranderingen in de vraag naar activitei-ten en het gebruik van elkaars ruimte.
Wij streven er dan ook naar de basisvoorziening zoveel als mogelijk is onder te brengen in het centrale gebouw van de Vensterschool of anders in een multifunctionele accommodatie.

Bovenstaande methodiek toepassen op het bestaande aanbod kan dus met zich mee brengen dat een aantal accommodaties van functie zal moeten veranderen of zelfs zijn functie verliest.

Wij willen nog wat uitgebreider stilstaan bij de speeltuinen. Speeltuinverenigingen hebben een lange historie. Rond het begin van de 20e eeuw zijn ze vaak opgericht in wijken en buurten waar door de opzet van de bebouwing onvoldoende ruimte was voor kinderen om veilig te spelen. Maar ook hier is de tijdsgeest zichtbaar. Kinderen hebben meer en andere mogelijkheden en aan het georganiseerd spe-len op afgebakende terreinen bestaat steeds minder behoefte. De speeltuinverenigingen hebben naar ons oordeel dan ook grotendeels hun functie verloren. De gebouwen van de speeltuinverenigingen zouden echter heel goed gebruikt kunnen worden voor sociaal-culturele activiteiten.
Sommige besturen hebben dit ook al opgepakt, een aantal anderen lijkt die kant op te willen. De ove-rige speeltuinverenigingen lijken hun toekomst vooral te baseren op de historisch gegroeide situatie
In het licht van de huidige problematiek vinden wij het wenselijk de functie van speeltuingebouwen te heroverwegen.
Wij zien dit los van het buitengebied; speelvoorzieningen zijn een basisvoorziening in de wijk en de toekomst daarvan zal worden betrokken bij het beleid voor speelplekken in de openbare ruimte, het speelplekkenplan.

Resumerend: de oude A,B,C en J- indeling willen wij vervangen door de B van basis en de P van plus. We houden dan nog een kleine categorie over in de sfeer van I (innovatief), maar dit zal meer betrek-king hebben op activiteiten dan op accommodaties.


7. SOCIAAL-CULTURELE ACTIVITEITEN EN DE RELATIE MET PARTNERS IN WEL-ZIJN

Wij willen dus toe naar een beleid waarin de activiteiten in een wijk of buurt bepalend zijn en de ac-commodaties daarvoor alleen maar randvoorwaardelijk. Deze lijn is ingezet bij “Partners in Welzijn”, waar is afgesproken dat er producten worden gefinancierd of ingekocht tegen van te voren vastgestel-de kostprijzen. Van subsidiëring van instellingen is dan geen sprake meer. Dat kan ook bij accommo-daties, waarbij de activiteiten worden gesubsidieerd en waarbij de openstelling van de accommodatie (financieel) veilig is gesteld.
Natuurlijk realiseren wij ons daarbij dat activiteiten verplaatsbaar en inwisselbaar zijn en dat accom-modaties daarentegen vast zijn en vaak voor een langere periode zijn of worden neergezet.

Sociaal-culturele activiteiten maken onderdeel uit van het brede domein 'welzijn en zorg'. Voor dit domein hebben wij in 1999 het project Partners in Welzijn geïntroduceerd.
Kenmerken er van zijn:
a. opdrachtgeverschap: de gemeente fungeert als opdrachtgever en de instellingen als zelfstan-dig opdrachtnemer; de opdracht wordt gebaseerd op een goede kennis van de vraag en heldere beleidskeuzes;
b. contractfinanciering: de gemeente financiert producten of diensten en geen instellingen; structurele subsidies worden vervangen door contracten voor bepaalde tijd.

Deze vraag- en beleidsgestuurde contractfinanciering willen wij dus ook gaan toepassen op de soci-aal-culturele activiteiten in de wijken. Daarbij zal steeds onderscheid worden gemaakt tussen de activi-teiten in de basissfeer en de eventuele plusactiviteiten, zoals hiervoor in hoofdstuk 6 en hierna in hoofdstuk 8 nader is toegelicht.
In een aparte notitie gaan wij uitvoerig in op de recente stand van zaken rond het project Partners in Welzijn.


8. ACTIVITEITEN EN STURING

Eerder hebben wij aangegeven dat wij toe willen naar een situatie waarbij de activiteiten leidend zijn en de accommodaties vooral voorwaardenscheppend
De huidige situatie, waarin we wel afspraken kunnen maken met de instellingen, maar in feite geen invloed kunnen uitoefenen op de programmering in de door ons gesubsidieerde welzijnsaccommo-daties, achten we ongewenst. We willen toe naar een systematiek, waarin we niet alleen met wel-zijnsinstellingen afspraken maken over de te leveren producten, meestal activiteiten, maar waarin we ook met welzijnsaccommodaties afspraken maken over het onder dak brengen van die activitei-ten en (waar dat gewenst is) over het ondersteunen van die activiteiten door vrijwilligers.

Welke activiteiten we in het kader van de Sociale Pijler in welke wijk en dus in welk verzorgingsge-bied willen laten uitvoeren wordt gebaseerd op integrale wijk- of stadsdeelanalyses op het brede ge-bied van welzijn en zorg. Wij gaan er voorshands van uit dat deze analyses om de twee jaar worden opgesteld. Bij de opstelling ervan worden de bewoners actief betrokken. Maar ook zullen ze worden betrokken bij de jaarlijkse evaluatie (monitoring) van de uitvoering. Immers aan de hand van deze evaluatie worden de vervolgactiviteiten bepaald.

Op basis van de integrale wijkanalyses wordt per verzorgingsgebied vastgesteld welke sociaal-culturele activiteiten het meest gewenst worden geacht.
Aldus ontstaat een pakket aan activiteiten voor alle inwoners in het gebied en een pluspakket voor bepaalde doelgroepen of voor de aanpak van bepaalde problemen.
De accommodatiebesturen en de instellingen zullen vervolgens worden gevraagd hun aanbod hierop af te stemmen en ook aandacht te schenken aan de vraag in welke accommodatie de gewenste activiteiten het meest efficiënt en effectief kunnen worden geprogrammeerd. Niet het enkele belang van een ac-commodatie staat dan voorop maar de functie en betekenis van meerdere accommodaties in het ge-bied. Op deze wijze dragen alle betrokken accommodatiebesturen en de professionele instellingen, samen met de gemeente, de verantwoordelijkheid voor de planning en programmering van alle acti-viteiten in het gebied.

De gemeente vervult vervolgens de rol van opdrachtgever. Voor het goede beheer en verantwoorde exploitatie van de accommodatie is het bestuur de opdrachtnemer; voor de te organiseren activiteiten zijn dat de accommodatiebesturen en de professionele instellingen. De systematiek van “Partners in Welzijn” zal hierbij leidraad zijn. Overigens kan voor een deel van de activiteiten ook het accommo-datiebestuur als opdrachtgever functioneren.

Door niet het enkele belang van een accommodatie als uitgangspunt te nemen wordt de speelruimte van de individuele accommodatiebesturen noodzakelijkerwijs verkleind en zal het afstemmingsni-veau in een breder bestuurlijk kader en op een hoger schaalniveau dienen te worden gelegd. Daar-mee bedoelen we dat we naar een plannings- en sturingsniveau willen van accommodatiebesturen op het niveau van een verzorgingsgebied. We willen dus in de 12 verzorgingsgebieden toe naar 12 clus-ters van accommodatiebesturen, waarmee we tot afspraken willen komen
Om de inbreng van de verschillende accommodatiebesturen te borgen zal er sprake moeten zijn van goed onderling overleg en regelmatige afstemming. Een juridische structuur, bij voorbeeld in de vorm van een federatie, een vereniging of gefuseerde stichting, kan hen daarbij behulpzaam zijn.

Wij stellen voor het reguliere overleg en de afstemming (de sturing) tussen de 3 partijen, in casu de accommodatiebesturen, de instellingen en de gemeente, te organiseren via een zogenaamde Plangroep. Bij de Vensterscholen hebben wij daar goede ervaringen mee opgedaan. Wij hebben overwogen het sociaal-cultureel werk bij de plangroep Vensterschool onder te brengen, aangezien qua huisvesting immers ook naar concentratie wordt gestreefd. Om twee redenen willen wij daar voorlopig van afzien. De nieuwe werkwijze zal voor de sociaal-culturele sector voorlopig wennen zijn en moet (onder begeleiding) nog tot wasdom komen. In de tweede plaats is de doelgroep van de Vensterschool de jeugd, terwijl het sociaal-culturele werk zich op alle inwoners van de wijk richt. Wel is het logisch dat beide plangroepen in elkaars verlengde functioneren.

Wat opvalt is dat “de wijk” niet in onze sociaal-culturele plangroep is vertegenwoordigd. Dit is ook moeilijk te organiseren omdat het planningsgebied een groot deel van de stad betreft met meerdere wijken en buurten. Ook moeten wij constateren dat de organisatiegraad van bewoners in het algemeen niet hoog is. Wij menen het gemis aan rechtstreekse inbreng van de wijk in de plangroep te kunnen compenseren door het instellen van een regulier overleg van gebruikers van de accommodaties. Maar zoals hiervoor is aangegeven hebben zij een uitdrukkelijke rol bij het opstellen van de wijkanalyse en de evaluatie daarvan. Zij gaan dus vooral over de inhoud en dat lijkt ons belangrijker dan de vorm.

De rol van de gemeente bij de plangroep achten wij van essentieel belang.Wij willen dit invullen door het bekleden van het voorzitterschap in de persoon van de coördinator wijkbeleid. Daarmee 'trekt' de gemeente in feite de plangroep.
Eerder hebben wij gekozen voor een rol op afstand. Via de zogenaamde wijkplatforms werden hoge eisen gesteld aan de zelfredzaamheid van “de wijk”. Dit is geen onverdeeld succes gebleken en dus reden om de regie (voorlopig) in gemeentelijke hand te nemen.


In het licht van het sturingsvraagstuk vinden wij de rol van de vrijwilligers van groot belang. Daar-om willen wij met de professionele instellingen afspraken maken op het gebied van bestuursonder-steuning alsmede het werven, binden en ondersteunen van vrijwilligers. En als bepaalde activiteiten niet door bewoners/vrijwilligers kunnen worden uitgevoerd omdat ze een zekere professionele kwali-teit vergen, zullen we ze daarbij moeten helpen..


9. IMPLEMENTATIE

Voor de volledigheid willen wij aan het bovenstaande toevoegen dat aan het vertalen en implemente-ren van de benoemde uitgangspunten nogal wat consequenties zitten. Dat geldt breed voor het veld, maar ook voor verschillende onderdelen van de dienst OCSW. Het zal de nodige tijd en energie vra-gen, waarbij wij er van uit gaan dat hier enige jaren mee zijn gemoeid. Wij stellen ons voor dit via een plan van aanpak verder te gaan invullen. Kansen en bedreigingen zullen in relatie tot het ambitieni-veau voortdurend met elkaar in verband moeten worden gebracht. Bijsturen en eventueel bijstellen zal moeten plaatsvinden als de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.

10. COMMUNICATIE EN VERVOLGTRAJECT

Wij hebben een aantal bestaande en nieuwe knelpunten in het sociaal cultureel werk geconstateerd. In financiële zin streven wij naar een praktijk waarin de door ons gesubsidieerde accommodaties op een verantwoorde wijze kunnen worden geëxploiteerd en beheerd. Wij willen toe naar een situatie waarin er sprake is van een aanbod aan activiteiten dat toegespitst is op de wensen van de wijk en waarbij zoveel mogelijk wijkbewoners worden betrokken. Als bewoner, als bestuurder van een accommodatie, als vrijwilliger bij de uitvoering van activiteiten of als bezoeker van een accommodatie.

Na overleg met de raad willen wij uitgebreid met alle betrokkenen in discussie gaan over gezamenlijk ervaren knelpunten en voorgestelde oplossingen. In deze notitie hebben wij daarvoor de bouwstenen willen aandragen.
De uitkomsten van deze overlegronde en eventuele vervolgvoorstellen willen wij in het voorjaar van 2004 ter besluitvorming voorleggen aan de gemeenteraad.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een aanzienlijk aantal “technische” zaken nog zal moeten worden uitgewerkt. Voorbeelden daarvan zijn aanpassing van de subsidieverordening, de overgangs-problematiek en het voorbereiden van contracten. Wij willen echter eerst met de betrokkenen over de hoofdlijnen spreken. Gaandeweg deze gesprekken kunnen we dan bekijken of en zo ja hoe we de ver-dere uitwerking ter hand kunnen nemen.