VAN LOOPPLANK TOT BRUG Reflectie en toekomstvisie van het BBOG op het sociaal-cultureel werk in Groningen September 2003
1. Inleiding We staan in 2003 weer op het punt nieuw beleid te maken. Het BBOG geeft daarom, op basis van zijn deskundigheid en praktijkervaring, de hiernavolgende concrete richting aan die nauw aansluit op het Sociaal Structuur Plan en op de notitie Partners in Welzijn. Gecombineerd met een visie op sociaal-cultureel werk (SCW) wordt een werkwijze aangeboden en een nieuwe invulling van het ABC-model. Daarbij is rekening is gehouden met de diversiteit van basisvoorzieningen. Daarnaast is er aandacht voor het Jongerenwerk en situatie van de I/D-banen. Tot slot heeft het BBOG een aantal aanbevelingen geformuleerd. 2. Visie Wat verstaat het BBOG onder SCW? Door de temporisering van de uitvoering van het beleid dreigt de volgende situatie te ont-staan: uitstel van concretisering leidt tot afstel. Wanneer de Gemeenteraad in november a.s. instemt met de jongste voornemens van het college betekent dat een historische breuk met het verleden. De beleidsachtergronden (SCW voor iedereen) van het Sociaal Structuur Plan en de notitie Partners in Welzijn zijn daarmee definitief losgelaten. De versmalde opvatting van het SCW komt daarvoor in de plaats. Het BBOG zou dit een uitermate betreurenswaardige zaak vinden, omdat zij de brede opvat-ting van het SCW als bijzonder waardevol en bruikbaar ziet voor de toekomst van het SCW in onze stad. De stelling dat een stevig opgezet sociaal-cultureel werk vanuit de brede visie een preventieve uitwerking heeft op overlastsituaties staat haaks op de smalle opvatting die leidt tot het voortdurend blussen van branden, ontstaan bij specifieke groepen. Vanuit de smalle opvatting gaat geen preventieve werking meer uit en dat kan de gemeente wel eens duur komen te staan. Het BBOG ontvouwt zijn visie dan ook vanuit de brede kijk op SCW en sluit nauw aan op de uitgangspunten zoals geformuleerd in het Sociaal Structuur Plan en de notitie Partners in Welzijn. Dat betekent dat naast activiteiten voor doelgroepen (kinderen en hun ouders, tie-ners, jongeren en ouderen) er een gerichtheid is op de gehele wijk. Het SCW betekent niet alleen activiteit in buurt- en wijkcentra, maar is uitermate geschikt om leefbaarheid in de wijk, buurt of straat te bevorderen. Dat dit vanzelfsprekend organisatorische consequenties heeft, laat het BBOG zien in uitgewerkte voorstellen.
1. Inleiding Het BBOG baseert zijn visie op een plan dat het bureau OIA eind
1999/begin 2000 uit-bracht. OIA beantwoordt daarin een aantal kernvragen:
wat is nodig op het gebied van SCW in de stad Groningen? Is het
mogelijk vraag en aanbod bijeen te brengen en betrokkenheid van
bewoners te genereren bij de totstandkoming en bewaking van de
uitvoering van het be-leid? Daarbij dienen de nota’s Partners
in Welzijn en het Sociaal Structuur Plan als vertrek-punt. Op het
terrein van SCW is daarin een verfijning aangebracht door: Het nieuwe systeem lost een aantal knelpunten op die destijds
naar voren kwamen in de ein-devaluatie SCW . Bovendien regelt het
systeem de medezeggenschap, het opdrachtgever-schap en de vraagontwikkeling
c.q. vraagsturing door: 2. De Werkwijze De taken van de samenlevingsopbouwers A> De samenlevingsopbouwer is verantwoordelijk voor het proces van vraagontwikkeling De nota Partners in Welzijn spreekt van het nodig zijn van een ‘continue en vooral onafhan-kelijke peiling van wensen, dromen en ideeën van bewoners’ . Om dit te realiseren zijn onaf-hankelijke samenlevingsopbouwers nodig die niet in dienst zijn van de gemeente (beleidsma-ker) of van stichting WING (uitvoerende instantie). Samenlevingsopbouwers ontwikkelen in de buurt en wijk de vraag door dicht bij de belevingswereld van bewoners thema’s rond leef-baarheid aan de orde te stellen. Daarnaast halen zij de vraag op bij de bestaande organisaties en groeperingen in een wijk. Ook de op die wijk gerichte ambtenaren en de werkers van stichting WING leveren een bijdrage om een zo scherp mogelijke vraag te formuleren, ieder vanuit de eigen deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid. Op grond van de verzamelde wensen en behoeften maakt de samenlevingsopbouwer in samenwerking met de wijk een conceptvoorstel. Let wel: het betreft hier alleen vragen, wensen en behoeften op het terrein van sociaal-culturele activiteit. Het kan goed mogelijk zijn dat de samenlevingsopbouwer ook tegen vragen oploopt die op andere terreinen thuishoren (beheer openbare ruimte, huisves-ting, verkeer, veiligheid, etc.). De samenlevingsopbouwer dient deze vragen op tafel van de wijkraden te brengen. Mogelijk dat de wijkraden ook een driehoek zouden kunnen vormen met gemeente en andere uitvoerende instanties. Het spreekt vanzelf dat de samenlevingsop-bouwer de wijkraden ondersteunt bij hun vraagverkenningen. B> De samenlevingsopbouwer bouwt een netwerk op in de wijk In het Sociaal Structuur Plan worden vraagtekens gezet bij de legitimatie van de huidige be-wonersorganisatie. Het is de taak van de samenlevingsopbouwer om in de wijk een zodanig fijnmazig en dynamisch netwerk op te bouwen dat draagvlak ontstaat voor beleid. Bovendien kunnen nieuwe wijkorganisaties uit dit netwerk ontstaan of bestaande wijkorganisaties kun-nen zich erdoor versterken c.q. vernieuwen. C> De samenlevingsopbouwer beheert het opgebouwde netwerk Het onderhouden van een netwerk is net zo belangrijk als het opzetten ervan. Een fijnmazig en dynamisch netwerk betekent dat er snel informatie uit gehaald kan worden, maar ook dat het netwerk op effectieve wijze kan worden geïnformeerd over onder meer de voortgang van het proces van doelrealisatie. Het bijhouden van een actueel adressenbestand is daarom nood-zaak. Het maandelijks laten verschijnen van artikelen in bestaande wijkkranten over de voortgang, en het vervaardigen van (digitale) buurtnieuwsbrieven met relevante informatie over ontwikkelingen in de buurt behoort tot het levend(-ig) houden van het netwerk. D> De samenlevingsopbouwer participeert in de driehoek: de Wijk-WIG Door de samenlevingsopbouwer als professional te positioneren
in de Wijk-WIG wordt aan de verhoudingen daarin recht gedaan. Er
is daadwerkelijk sprake van partners in welzijn. De wijkvertegenwoordiging
participeert namelijk samen met een professional in de driehoek.
De andere partners zijn de vertegenwoordigers van de gemeente en
welzijnsinstelling(en). E> De samenlevingsopbouwer versterkt de relatie tussen de wijk/buurt en het buurtcentrum De samenlevingsopbouwer ondersteunt het bestuur van het buurtcentrum bij de activiteiten-ontwikkeling en programmering. Er zal een balans zijn van een continu activiteitenaanbod en vraagsturing. Het aanbod garandeert het buurtcentrum continuïteit. Vanuit het aanbod vindt de vraagontwikkeling plaats. De samenlevingsopbouwer vormt de brug tussen wijk en buurt/wijkcentrum. 3. De Wijk-WIG SCW A> De participanten De deelnemers aan de Wijk-WIG SCW zijn vertegenwoordigers van de gemeente, van uit-voerende instantie (bijvoorbeeld Stichting WING) . De bewoners in de wijk worden via een delegatie uit hun netwerk vertegenwoordigd in de Wijk-WIG met permanente professionele ondersteuning van de samenlevingsopbouwer. De aanwezigheid van de onafhankelijke sa-menlevingsopbouwer garandeert de professionaliteit van de bewonersinbreng in de Wijk-WIG op wijkniveau. Daar waar geen bewonersvertegenwoordiging mogelijk is participeert de samenlevingsopbouwer namens de wijk in de Wijk-WIG. B> De Wijk-WIG gericht op doelrealisatie. In de Wijk-WIG vindt een proces van doelrealisatie plaats. Het
gaat daarbij om een ruilpro-ces. C> De spelregels van de driehoek Er kunnen zich in de Wijk-WIG SCW situaties van overmacht en hindermacht
voordoen. Partijen in de driehoek kunnen elkaar door de wijze van
besluiten uitspelen. Ook doen partij-en in de wandelgangen aan ‘handjeklap’.
Al met al zaken die niet goed zijn voor het onder-linge vertrouwen.
Bovendien wordt voorbijgegaan aan de inhoud van de vraag. Uiteindelijk
zal van deze praktijken de wijk de dupe zijn. 4. De Gemeente De gemeente als opdrachtgever Allereerst een opmerking over het nieuwe denken. Het gaat er in
dit systeem niet om de wijkbewoners te betrekken bij het gemeentelijke
beleid. Het gaat er juist om de gemeente te betrekken bij initiatieven
van burgers. Dat dit een omkering van denken is en daarom voor
de gemeente lastig is, zullen we ontegenzeggelijk ondervinden.
Van oudsher is de gemeente ge-wend aan het willen beheersen, controleren
en plannen maken. Ook als dat niet nodig is. In dit systeem dient
te gemeente te leren inzien dat bewoners volwassen genoeg zijn
zaken zelf ter hand te nemen. 5. De politiek De rol van de politiek In bepaalde gevallen kan het mogelijk zijn dat op beleidsonderdelen geen consent is te ver-krijgen. Dit kan betekenen dat het gehele proces stokt. Bovendien kan dit de onderlinge ver-houdingen schaden. Het knelpunt wordt dan uit de Wijk-WIG getild en voorgelegd aan de desbetreffende Raadscommissie (arbitrage). Deze hoort de argumenten van alle partijen en neemt een bindend besluit. Daarnaast betrekt de Wijk-WIG de Raadscommissie bij de (half)jaarlijkse evaluaties.Vanwege de transparantheid van de Wijk-WIG kunnen raadsleden, maar ook andere betrokkenen, zich op ieder moment op de hoogte stellen van de gang van zaken in een wijk.
1. Inleiding Vanwege de diversiteit van basisvoorzieningen geeft het BBOG bestuur een nieuwe invulling aan de A-component van het ABC-model. Ook de C-component krijgt een nadere uitwerking. Een wijk- of buurtcentrum staat niet op zichzelf, maar staat altijd in relatie tot zijn omgeving, in dit geval de wijk. Daarom is een basisvoorziening niet voor iedere wijk gelijk. Dit hangt samen met onder meer de bevolkingssamenstelling van een wijk, de geografische ligging in de wijk, hoe een wijk is opgebouwd of er veel kinderen wonen of juist veel ouderen. Is de wijk qua bevolkingsopbouw een evenwichtige wijk. Bovendien zijn er wijken die te kampen hebben met ernstige problemen. Ook dit bepaalt de inkleuring van een basisvoorziening. Het begrip basisvoorziening is dus niet eenduidig te verstaan. Er is sprake van een grote diversi-teit. Het ABC model wordt ’gelezen’ vanuit de basisvoorziening SCW.
De A-component valt uiteen in een A1- en een A2-component.
A2-component: B-component C-component
Een voor sommige centra ernstig probleem is de situatie in het
Jongerenwerk. Enkele jaren geleden besloot de gemeente tot het
stimuleren van straatwerk. Dat betekent jongeren op straat toeleiden
naar buurtcentra. De gemeente heeft de preventiegedachte, zoals
omschreven in het Sociaal Structuur Plan en Partners in Welzijn,
losgelaten en denkt in termen van op-vang van jongeren ter bestrijding
van de overlast. Een verschuiving van doelgroepen is auto-matisch
het gevolg. Meer en meer zwaardere jongerengroepen worden naar
de jongerencentra geleid. Daar staan dan jongerenwerkers klaar
om samen met jongeren tot activiteiten te ko-men. Maar door zwaardere
groepen jongeren naar het centrum te leiden, is de vraag naar acti-viteiten
nagenoeg verdwenen. In de centra is door de opvang de vraag naar
de beheersbaar-heid en vooral ook de vraag naar de veiligheid van
werkers en bezoekers centraal komen te staan.
Veel beheerders van buurtcentra krijgen ondersteuning van assistent-beheerders die hun werkzaamheden verrichten via de Instroom/Doorstroomregeling (I/D-banen). De komst van I/D-ers bood de mogelijkheid de dure H3-beheerfunctie te differentiëren. Doordat de accom-modatiemanager verdween, werd de beheerder meer en meer belast met de taken op het ge-bied van accommodatiemanagement. De I/D-ers vullen de ontstane gaten op. Dat zijn er te-genwoordig nogal wat. Naast schoonmaakwerkzaamheden en onderhoudsklussen, bepalen de I/D-ers mee het gezicht van het centrum. Met de inzet van I/D-ers is er dus sprake van een belangrijk bedrijfsbelang voor de buurtcentra. Behalve het bedrijfsbelang voor buurtcentra zoekt de gemeente
Groningen vooral naar het maatschappelijke nut van deze banen,
omdat er in het kader van bezuinigingen een aantal moeten verdwijnen.
De gemeente heeft criteria geformuleerd om het maatschappelijke
nut te kunnen bepalen van de banen die gehandhaafd blijven. Deze
nieuwe banen:
In een tijd waarin onze samenleving in zwaar economisch weer is verzeild geraakt, roept het BBOG de gemeenteraad met klem op niet op de uitvoering van het SCW te bezuinigen, maar juist anticyclisch te subsidiëren. In dit verband wijzen wij nogmaals op de eerdere oproepen van het BBOG. Eén ervan is als bijlage toegevoegd. Tegendraads subsidiëren betekent inves-teren in sociaal-culturele activiteiten die aansluiten op de vragen, behoeften en wensen van bewoners. Het BBOG beveelt de Gemeenteraad aan: Coen van der Heijde,
|