VAN LOOPPLANK TOT BRUG

Reflectie en toekomstvisie van het BBOG op het sociaal-cultureel werk in Groningen

September 2003


I. BELEIDSACHTERGROND

1. Inleiding

We staan in 2003 weer op het punt nieuw beleid te maken. Het BBOG geeft daarom, op basis van zijn deskundigheid en praktijkervaring, de hiernavolgende concrete richting aan die nauw aansluit op het Sociaal Structuur Plan en op de notitie Partners in Welzijn. Gecombineerd met een visie op sociaal-cultureel werk (SCW) wordt een werkwijze aangeboden en een nieuwe invulling van het ABC-model. Daarbij is rekening is gehouden met de diversiteit van basisvoorzieningen. Daarnaast is er aandacht voor het Jongerenwerk en situatie van de I/D-banen. Tot slot heeft het BBOG een aantal aanbevelingen geformuleerd.

2. Visie

Wat verstaat het BBOG onder SCW?
In de opvatting van het BBOG is SCW te vergelijken met een Nutsbedrijf: in onze stad heb-ben mensen recht op deelname aan sociaal culturele activiteiten. Deze activiteiten moeten dus in principe voor ieder die dat wenst toegankelijk zijn. Dit is de beleidsachtergrond van de herstructurering SCW van 1993 en van het Sociaal Structuur Plan. De daaruit voortvloeiende notitie Partners in Welzijn heeft dit ook als kader.
De invoering van de notitie Partners in Welzijn is echter door de gemeente getemporiseerd. Door het uitblijven van concretisering is vanaf het SCW in de praktijk aan het versmallen. Deze trend zet zich tot op vandaag voort, en is door de bezuinigingsgolf een nog grotere rol gaan spelen. Uit de jongste voornemens blijkt dat het college SCW vooral opvat als bestrij-ding van overlast. Deze opvatting werkt in de ogen van het BBOG niet alleen stigmatiserend, maar ook discriminerend. De trend van de laatste jaren heeft geleid tot een afname van soci-aal-culturele activiteiten in brede zin en een toename in aandacht voor specifieke groepen. Het buurtcentrum als bruisend hart is daarmee al lange tijd uit het SCW verdwenen.

Door de temporisering van de uitvoering van het beleid dreigt de volgende situatie te ont-staan: uitstel van concretisering leidt tot afstel. Wanneer de Gemeenteraad in november a.s. instemt met de jongste voornemens van het college betekent dat een historische breuk met het verleden. De beleidsachtergronden (SCW voor iedereen) van het Sociaal Structuur Plan en de notitie Partners in Welzijn zijn daarmee definitief losgelaten. De versmalde opvatting van het SCW komt daarvoor in de plaats.

Het BBOG zou dit een uitermate betreurenswaardige zaak vinden, omdat zij de brede opvat-ting van het SCW als bijzonder waardevol en bruikbaar ziet voor de toekomst van het SCW in onze stad. De stelling dat een stevig opgezet sociaal-cultureel werk vanuit de brede visie een preventieve uitwerking heeft op overlastsituaties staat haaks op de smalle opvatting die leidt tot het voortdurend blussen van branden, ontstaan bij specifieke groepen. Vanuit de smalle opvatting gaat geen preventieve werking meer uit en dat kan de gemeente wel eens duur komen te staan.

Het BBOG ontvouwt zijn visie dan ook vanuit de brede kijk op SCW en sluit nauw aan op de uitgangspunten zoals geformuleerd in het Sociaal Structuur Plan en de notitie Partners in Welzijn. Dat betekent dat naast activiteiten voor doelgroepen (kinderen en hun ouders, tie-ners, jongeren en ouderen) er een gerichtheid is op de gehele wijk. Het SCW betekent niet alleen activiteit in buurt- en wijkcentra, maar is uitermate geschikt om leefbaarheid in de wijk, buurt of straat te bevorderen. Dat dit vanzelfsprekend organisatorische consequenties heeft, laat het BBOG zien in uitgewerkte voorstellen.


II.ORGANISATORISCHE SYSTEMATIEK EN STRUCTUUR CONSEQUENTIE

1. Inleiding

Het BBOG baseert zijn visie op een plan dat het bureau OIA eind 1999/begin 2000 uit-bracht. OIA beantwoordt daarin een aantal kernvragen: wat is nodig op het gebied van SCW in de stad Groningen? Is het mogelijk vraag en aanbod bijeen te brengen en betrokkenheid van bewoners te genereren bij de totstandkoming en bewaking van de uitvoering van het be-leid? Daarbij dienen de nota’s Partners in Welzijn en het Sociaal Structuur Plan als vertrek-punt. Op het terrein van SCW is daarin een verfijning aangebracht door:
• Een nadere invulling te geven aan de functie samenlevingsopbouw
• Het bijeenbrengen van vraag en aanbod via een nieuwe werkwijze (doelrealisatie)
De werkwijze is zodanig opgezet dat het gehele proces van besluitvorming en doelrealisatie transparant is. Alle betrokkenen kunnen zich op elk gewenst tijdstip op de hoogte stellen van de stand van zaken.

Het nieuwe systeem lost een aantal knelpunten op die destijds naar voren kwamen in de ein-devaluatie SCW . Bovendien regelt het systeem de medezeggenschap, het opdrachtgever-schap en de vraagontwikkeling c.q. vraagsturing door:
• te kiezen voor een getrapte medezeggenschap bij de vraagontwikkeling
• door de verhoudingen in de Wijk-WIG (Wijk, Instelling en Gemeente) te herstellen: samen met of namens wijkbewoners participeren de samenlevingsopbouwers daarin
• door de gelijkwaardigheid van de partners in de driehoek te waarborgen via het con-sentbeginsel dat regeert over de besluitvorming
• door de samenlevingsopbouwers de leiding te geven over het proces van doelrealisatie
• door naast vraagontwikkeling een vorm van vraagsturing te handhaven
In het nieuwe systeem krijgt de politiek een nadrukkelijke rol toebedeeld. De Raadscommis-sie treedt op als arbitragecommissie. Daarnaast is de Raadscommissie betrokken bij de (half)jaarlijkse evaluaties van de Wijk-WIG.

2. De Werkwijze

De taken van de samenlevingsopbouwers
De samenlevingsopbouwers vertegenwoordigen de wijk. Naast administratieve en organisato-rische ondersteuning voor de Wijk-WIG hebben zij de volgende hoofdtaken:

A> De samenlevingsopbouwer is verantwoordelijk voor het proces van vraagontwikkeling

De nota Partners in Welzijn spreekt van het nodig zijn van een ‘continue en vooral onafhan-kelijke peiling van wensen, dromen en ideeën van bewoners’ . Om dit te realiseren zijn onaf-hankelijke samenlevingsopbouwers nodig die niet in dienst zijn van de gemeente (beleidsma-ker) of van stichting WING (uitvoerende instantie). Samenlevingsopbouwers ontwikkelen in de buurt en wijk de vraag door dicht bij de belevingswereld van bewoners thema’s rond leef-baarheid aan de orde te stellen. Daarnaast halen zij de vraag op bij de bestaande organisaties en groeperingen in een wijk. Ook de op die wijk gerichte ambtenaren en de werkers van stichting WING leveren een bijdrage om een zo scherp mogelijke vraag te formuleren, ieder vanuit de eigen deskundigheid en eigen verantwoordelijkheid. Op grond van de verzamelde wensen en behoeften maakt de samenlevingsopbouwer in samenwerking met de wijk een conceptvoorstel. Let wel: het betreft hier alleen vragen, wensen en behoeften op het terrein van sociaal-culturele activiteit. Het kan goed mogelijk zijn dat de samenlevingsopbouwer ook tegen vragen oploopt die op andere terreinen thuishoren (beheer openbare ruimte, huisves-ting, verkeer, veiligheid, etc.). De samenlevingsopbouwer dient deze vragen op tafel van de wijkraden te brengen. Mogelijk dat de wijkraden ook een driehoek zouden kunnen vormen met gemeente en andere uitvoerende instanties. Het spreekt vanzelf dat de samenlevingsop-bouwer de wijkraden ondersteunt bij hun vraagverkenningen.

B> De samenlevingsopbouwer bouwt een netwerk op in de wijk

In het Sociaal Structuur Plan worden vraagtekens gezet bij de legitimatie van de huidige be-wonersorganisatie. Het is de taak van de samenlevingsopbouwer om in de wijk een zodanig fijnmazig en dynamisch netwerk op te bouwen dat draagvlak ontstaat voor beleid. Bovendien kunnen nieuwe wijkorganisaties uit dit netwerk ontstaan of bestaande wijkorganisaties kun-nen zich erdoor versterken c.q. vernieuwen.

C> De samenlevingsopbouwer beheert het opgebouwde netwerk

Het onderhouden van een netwerk is net zo belangrijk als het opzetten ervan. Een fijnmazig en dynamisch netwerk betekent dat er snel informatie uit gehaald kan worden, maar ook dat het netwerk op effectieve wijze kan worden geïnformeerd over onder meer de voortgang van het proces van doelrealisatie. Het bijhouden van een actueel adressenbestand is daarom nood-zaak. Het maandelijks laten verschijnen van artikelen in bestaande wijkkranten over de voortgang, en het vervaardigen van (digitale) buurtnieuwsbrieven met relevante informatie over ontwikkelingen in de buurt behoort tot het levend(-ig) houden van het netwerk.

D> De samenlevingsopbouwer participeert in de driehoek: de Wijk-WIG

Door de samenlevingsopbouwer als professional te positioneren in de Wijk-WIG wordt aan de verhoudingen daarin recht gedaan. Er is daadwerkelijk sprake van partners in welzijn. De wijkvertegenwoordiging participeert namelijk samen met een professional in de driehoek. De andere partners zijn de vertegenwoordigers van de gemeente en welzijnsinstelling(en).
In de Wijk-WIG komen de opgehaalde vragen ter tafel. De samenlevingsopbouwer moet in staat zijn de partners te ondersteunen bij het formuleren van de uiteindelijke vraag door het ontwikkelen van voorstellen. Het uiteindelijke conceptvoorstel dat daaruit ontstaat, bespreken de partners met de betrokken achterbannen. Wijzigingsvoorstellen worden in de Wijk-WIG besproken en eventueel in het voorstel verwerkt. De partners besluiten met consent (= geen bezwaar) over het voorstel. In de driehoek is commitment ontstaan. Het spreekt vanzelf dat er in de wijkorganisatie voor dit plan draagvlak is.

E> De samenlevingsopbouwer versterkt de relatie tussen de wijk/buurt en het buurtcentrum

De samenlevingsopbouwer ondersteunt het bestuur van het buurtcentrum bij de activiteiten-ontwikkeling en programmering. Er zal een balans zijn van een continu activiteitenaanbod en vraagsturing. Het aanbod garandeert het buurtcentrum continuïteit. Vanuit het aanbod vindt de vraagontwikkeling plaats. De samenlevingsopbouwer vormt de brug tussen wijk en buurt/wijkcentrum.

3. De Wijk-WIG SCW

A> De participanten

De deelnemers aan de Wijk-WIG SCW zijn vertegenwoordigers van de gemeente, van uit-voerende instantie (bijvoorbeeld Stichting WING) . De bewoners in de wijk worden via een delegatie uit hun netwerk vertegenwoordigd in de Wijk-WIG met permanente professionele ondersteuning van de samenlevingsopbouwer. De aanwezigheid van de onafhankelijke sa-menlevingsopbouwer garandeert de professionaliteit van de bewonersinbreng in de Wijk-WIG op wijkniveau. Daar waar geen bewonersvertegenwoordiging mogelijk is participeert de samenlevingsopbouwer namens de wijk in de Wijk-WIG.

B> De Wijk-WIG gericht op doelrealisatie.

In de Wijk-WIG vindt een proces van doelrealisatie plaats. Het gaat daarbij om een ruilpro-ces.
Er is een overlap tussen de klant en de deelnemers aan het WIJK-WIG-overleg gecreëerd door zich bij de INPUT op die klant te richten. De klant bestaat uit bewoners, bewonersorga-nisaties groepen in de wijk, die bovendien in de WIJK-WIG wordt vertegenwoordigd door de samenlevingopbouwer, daar waar mogelijk samen met een wijkvertegenwoordiging.
Tijdens het proces van TRANSFORMATIE vindt afstemming plaats tussen de vraag van de klant en het aanbod c.q. de mogelijkheden.Voor tot uitvoering over te gaan – dus aan de vraag van de klant te voldoen – worden voorbereidingen getroffen en concrete activiteiten geformuleerd. De uitvoerders bekijken of zij aan de criteria kunnen voldoen.
Bij de OUTPUT wordt opnieuw de klant betrokken en wordt het product of de dienst aan de klant overgedragen.De samenlevingsopbouwer stuurt het gehele proces van doelrealisatie. De voortgang komt terug in het Wijk-WIG-overleg.

C> De spelregels van de driehoek

Er kunnen zich in de Wijk-WIG SCW situaties van overmacht en hindermacht voordoen. Partijen in de driehoek kunnen elkaar door de wijze van besluiten uitspelen. Ook doen partij-en in de wandelgangen aan ‘handjeklap’. Al met al zaken die niet goed zijn voor het onder-linge vertrouwen. Bovendien wordt voorbijgegaan aan de inhoud van de vraag. Uiteindelijk zal van deze praktijken de wijk de dupe zijn.
Hoe deze zaken te voorkomen is een uiterst moeilijke vraag om te beantwoorden. Het BBOG bestudeert op dit moment een oplossingsrichting gegeven door het bureau OIA. Cruciaal daarbij is het afspreken van een aantal methodische spelregels.
De belangrijkste spelregel is dat een besluit alleen dan kan worden genomen wanneer geen van de deelnemers aan de Wijk-WIG daartegen overwegende (beargumenteerde) bezwaar heeft. Anders gezegd een besluit wordt met consent genomen. (Let wel: dit is wat anders dan consensus.) Het consentbeginsel regeert dus de besluitvorming. Deze wijze van besluiten lost een aantal knelpunten op:
• geen hindermacht van eventuele tegenstemmers
• medezeggenschap van alle belanghebbenden komt bij de planvorming tot uitdrukking
• groter draagvlak voor (gemeentelijk) beleid
• betrokkenheid van alle partijen bij de uitvoering en de voortgang van het proces
De deelnemers aan de Wijk-WIG spreken af alleen in de driehoek besluiten te nemen en knelpunten op te lossen. Buiten de driehoek om besluiten nemen en problemen oplossen is niet toegestaan. Wanneer dit wel gebeurt, wordt dat vroeg of laat in de driehoek zichtbaar. Correctie is dan mogelijk.
Aan de besluiten dienen voorstellen vooraf te gaan. Het besluit wordt met vermelding van het belangrijkste argument vastgelegd. Bij elk genomen besluit zijn meetbare doelstellingen ge-formuleerd. Een besluit is geldig voor een bepaalde van te voren afgesproken periode. Daarna volgt meting van de resultaten door deze te toetsen aan de eerder vastgestelde doelen. Ver-volgens kan het besluit opnieuw voor een bepaalde periode worden vastgesteld, bijgesteld of worden verworpen.
Deze werkwijze garandeert niet alleen een dynamische beleidsvoering, maar door de wijze van registratie ook een transparant proces van besluitvorming (‘Iets doen is goed, iets meten is beter’, Ruerd Swierstra, bestuurslid stichting Trefpunt).

4. De Gemeente

De gemeente als opdrachtgever

Allereerst een opmerking over het nieuwe denken. Het gaat er in dit systeem niet om de wijkbewoners te betrekken bij het gemeentelijke beleid. Het gaat er juist om de gemeente te betrekken bij initiatieven van burgers. Dat dit een omkering van denken is en daarom voor de gemeente lastig is, zullen we ontegenzeggelijk ondervinden. Van oudsher is de gemeente ge-wend aan het willen beheersen, controleren en plannen maken. Ook als dat niet nodig is. In dit systeem dient te gemeente te leren inzien dat bewoners volwassen genoeg zijn zaken zelf ter hand te nemen.
De gemeente krijgt te maken met twee processen:
• het proces van vraagontwikkeling
• het proces van doelrealisatie.
De gemeente is eindverantwoordelijk voor aanbesteding van beide processen. In het ene ge-val geeft ze opdracht tot vraagontwikkeling en stelt de vraag vast, samen met de wijk en de uitvoerende instantie. In het andere geval is de gemeente eindverantwoordelijke voor de aan-besteding om de vastgestelde vraag te realiseren. Bovendien is de gemeente medeverant-woordelijk voor de voortgang van het proces van doelrealisatie via de Wijk-WIG.

5. De politiek

De rol van de politiek

In bepaalde gevallen kan het mogelijk zijn dat op beleidsonderdelen geen consent is te ver-krijgen. Dit kan betekenen dat het gehele proces stokt. Bovendien kan dit de onderlinge ver-houdingen schaden. Het knelpunt wordt dan uit de Wijk-WIG getild en voorgelegd aan de desbetreffende Raadscommissie (arbitrage). Deze hoort de argumenten van alle partijen en neemt een bindend besluit. Daarnaast betrekt de Wijk-WIG de Raadscommissie bij de (half)jaarlijkse evaluaties.Vanwege de transparantheid van de Wijk-WIG kunnen raadsleden, maar ook andere betrokkenen, zich op ieder moment op de hoogte stellen van de gang van zaken in een wijk.


III. HET NIEUWE ABC-MODEL

1. Inleiding

Vanwege de diversiteit van basisvoorzieningen geeft het BBOG bestuur een nieuwe invulling aan de A-component van het ABC-model. Ook de C-component krijgt een nadere uitwerking. Een wijk- of buurtcentrum staat niet op zichzelf, maar staat altijd in relatie tot zijn omgeving, in dit geval de wijk. Daarom is een basisvoorziening niet voor iedere wijk gelijk. Dit hangt samen met onder meer de bevolkingssamenstelling van een wijk, de geografische ligging in de wijk, hoe een wijk is opgebouwd of er veel kinderen wonen of juist veel ouderen. Is de wijk qua bevolkingsopbouw een evenwichtige wijk. Bovendien zijn er wijken die te kampen hebben met ernstige problemen. Ook dit bepaalt de inkleuring van een basisvoorziening. Het begrip basisvoorziening is dus niet eenduidig te verstaan. Er is sprake van een grote diversi-teit. Het ABC model wordt ’gelezen’ vanuit de basisvoorziening SCW.


2. De componenten

De A-component valt uiteen in een A1- en een A2-component.


A1-component:
De basisvoorziening in de A-component is een voorziening waarbij de bewoners de moge-lijkheid hebben ervan gebruik te maken. In deze component staat de facilitaire kant van de voorziening centraal. De ontwikkeling van activiteiten staat op een laag pitje. Deze vinden alleen plaats wanneer bewoners er nadrukkelijk om vragen. Het initiatief daartoe ligt bij hen. De nadruk ligt op het commerciële beheer. De inzet van professionals van WING is gering. De samenlevingopbouwer bouwt aan een netwerk.

A2-component:
Van de basisvoorziening waaruit deze component bestaat, maken bewoners in grote mate gebruik. De sociaal-culturele activiteiten staan centraal. Vergeleken met A1 staat het para-commerciële op een laag pitje. Nadruk ligt op de activiteitenontwikkeling. Deze component speelt ook in op de knelpunten van de wijk. Naast de grote rol van de beheerder van de voor-ziening zijn er professionele sociaal-cultureel werkers van WING actief. Bovendien is een samenlevingsopbouwer gewenst bij vraagontwikkeling en programmering.

B-component
De samenlevingopbouwer tracht in deze component via het opzetten van een fijnmazig net-werk aandachtsgroepen aan buurt- en straattafels te krijgen. Het gaat er daarbij om de groe-pen niet te isoleren, maar met andere bewoners uit de buurt of straat in gesprek te laten ko-men. Ontmoeting en recreatie staan daarbij centraal. Vanuit de contacten die daaruit ontstaan kan verder gebouwd worden.

C-component
De C-component is gericht op innovatie en onderzoek om maatschappelijke problemen en
probleemgroepen te signaleren en om nieuwe oplossingsmethoden te ontwikkelen. Voor de
basisvoorziening betekent dit dat naast reguliere activiteiten de basisvoorziening gebruikt kan
worden voor experimenten. Naast de beheerder en een al dan niet grote inzet van
WING, speelt in dit model de samenlevingsopbouwer een centrale rol. Hij is de floormanager van de wijk die snel verbinding legt tussen het signaleren van beginnende knelpunten en de inzet voor de oplossing ervan. De samenlevingsopbouwer is dus gericht op preventie.


IV. HET JONGERENWERK

Een voor sommige centra ernstig probleem is de situatie in het Jongerenwerk. Enkele jaren geleden besloot de gemeente tot het stimuleren van straatwerk. Dat betekent jongeren op straat toeleiden naar buurtcentra. De gemeente heeft de preventiegedachte, zoals omschreven in het Sociaal Structuur Plan en Partners in Welzijn, losgelaten en denkt in termen van op-vang van jongeren ter bestrijding van de overlast. Een verschuiving van doelgroepen is auto-matisch het gevolg. Meer en meer zwaardere jongerengroepen worden naar de jongerencentra geleid. Daar staan dan jongerenwerkers klaar om samen met jongeren tot activiteiten te ko-men. Maar door zwaardere groepen jongeren naar het centrum te leiden, is de vraag naar acti-viteiten nagenoeg verdwenen. In de centra is door de opvang de vraag naar de beheersbaar-heid en vooral ook de vraag naar de veiligheid van werkers en bezoekers centraal komen te staan.
De jongerenwerkers werken methodisch nog steeds met het uitgangspunt: participatie van jongeren. Alleen passen zij dat nu toe op de verkeerde doelgroepen. Met hun vraagverken-ningen lopen ze dan ook helemaal vast. De druk op beheerders en jongerenwerkers in de cen-tra is zodanig toegenomen dat zij aan hun eigenlijke werk nauwelijks toekomen. Regelmatig is de veiligheid van de werkers en de bezoekers in het geding. Een terugkerende vraag is dan ook: ben ik nou jongerenwerker of politieagent? Hieraan is te zien dat het behoorlijk wringt. De gevolgen zijn er ook: demotivatie van jongerenwerkers en toenemend ziekteverzuim. De toeleiding van jongeren is dus gelukt, maar ‘de infrastructuur’ (gebouw, organisatie, werkers) van de centra die daarmee bezig zijn, is ontoereikend. Dit laatste gegeven weerhoudt andere centra hun poorten voor jongeren te openen. De roep van besturen van deze centra om por-tiers die de beheersbaarheid van de soosavonden garanderen, klinkt luider en luider. Het wordt dan hoog tijd serieus aandacht te besteden aan de infrastructuur van centra die jongeren opvangen of willen gaan opvangen..

Wat is er nodig om de deuren van een buurtcentrum voor zware groepen jongeren te openen? Of is het centrum daar niet meer geschikt voor? Het BBOG pleit in ieder geval voor subsidie voor het inhuren van portiers tijdens drukke soosavonden en feesten.


V. GESUBSIDIEERDE BANEN

Veel beheerders van buurtcentra krijgen ondersteuning van assistent-beheerders die hun werkzaamheden verrichten via de Instroom/Doorstroomregeling (I/D-banen). De komst van I/D-ers bood de mogelijkheid de dure H3-beheerfunctie te differentiëren. Doordat de accom-modatiemanager verdween, werd de beheerder meer en meer belast met de taken op het ge-bied van accommodatiemanagement. De I/D-ers vullen de ontstane gaten op. Dat zijn er te-genwoordig nogal wat. Naast schoonmaakwerkzaamheden en onderhoudsklussen, bepalen de I/D-ers mee het gezicht van het centrum. Met de inzet van I/D-ers is er dus sprake van een belangrijk bedrijfsbelang voor de buurtcentra.

Behalve het bedrijfsbelang voor buurtcentra zoekt de gemeente Groningen vooral naar het maatschappelijke nut van deze banen, omdat er in het kader van bezuinigingen een aantal moeten verdwijnen. De gemeente heeft criteria geformuleerd om het maatschappelijke nut te kunnen bepalen van de banen die gehandhaafd blijven. Deze nieuwe banen:
• moeten gericht zijn op de Groninger bevolking
• moeten direct uitvoerbaar zijn
• het merendeel van de tijdsbesteding moet aan de baan gegeven worden.
Het BBOG wil deze criteria graag uitbreiden met het volgende punt. De banen moeten wor-den uitgevoerd in non-profitorganisaties. Dat het rendement op basis van vrije marktcriteria laag is, moge duidelijk zijn. Het sociaal-economische en sociaal-culturele rendement is hoog, wegens de bijdrage aan veiligheid, leefbaarheid, zorgvuldige omgang met openbare ruimte of gebouwen, herkenbaarheid voor wijkbewoners, de beschikbaarheids- en contactfunctie e.d.


VI. AANBEVELINGEN

In een tijd waarin onze samenleving in zwaar economisch weer is verzeild geraakt, roept het BBOG de gemeenteraad met klem op niet op de uitvoering van het SCW te bezuinigen, maar juist anticyclisch te subsidiëren. In dit verband wijzen wij nogmaals op de eerdere oproepen van het BBOG. Eén ervan is als bijlage toegevoegd. Tegendraads subsidiëren betekent inves-teren in sociaal-culturele activiteiten die aansluiten op de vragen, behoeften en wensen van bewoners.

Het BBOG beveelt de Gemeenteraad aan:
? uitspraken te doen over het wezen van SCW, dus een keuze te maken tussen de smalle of brede opvatting SCW
? voor de toekomst goede voorzieningen op peil te houden; dat betekent versterking van de infrastructuur op dit gebied: goede gebouwen, voldoende beheerpersoneel, deskun-dige agogische werkers, aandacht voor vrijwilligers
? een einde te maken aan het temporiseren door te investeren in wijkgericht werken via het aanstellen van samenlevingsopbouwers en het concretiseren van een Wijk-WIG(GEN)
? oplossingen te ontwikkelen voor de Wijk-WIG die voorkomen dat hindermacht- of overmachtsituaties ontstaan
? budget beschikbaar te stellen voor het Jongerenwerk waarmee bij moeilijke activitei-ten portiers kunnen worden ingehuurd
? de werkzaamheden in het SCW die nu via de I/D-banen worden vervuld als functie voor het SCW te behouden
? geen subsidiesystematiek te hanteren die uitgaat van een vierkante-meterprijs, maar één die is gericht op output. Bij de voorgestelde werkwijze past een subsidieregeling op basis van resultaat. De transparante werkwijze maakt dit ook mogelijk
? subsidie te verstrekken via het nieuwe ABC-model
? stichting WING voldoende in staat te stellen het uitvoerende werk in de wijken met kwalitatief goede medewerkers uit te voeren

Namens het Buurtcentra Besturen Overleg Groningen,

Coen van der Heijde,