D E B A S I S<------> D E P L U S


Activiteiten
en
Accommodaties


Inleiding

1. Over Schaalgrootte van stad, wijk en buurt

2. Activiteiten en Accommodaties in drieën

3. De Basis oftewel “voor ieder wat wils”

4. De Plus oftewel “van knelpunt naar probleemoplossing”

5. En innovatie dan??


Tot slot en hoe nu verder.




“ Basis en Plus en Innovatie”

Inleiding
OCSW kent vele beleidsterreinen, doelgroepen, voorzieningen, activiteiten en programma’s.
Het toepassen van de BPI-benadering heeft onder andere tot doel
• het gehele OCSW-instrumentarium in één kader te plaatsen en
• de grote verscheidenheid en veelvormigheid hiervan te relateren aan het gemeentelijk beleid of concreter de doelen uit de Stadsvisie.
Het resultaat hiervan is dat het instrumentarium – alle beleidsvelden en voorzieningen – gepositioneerd worden ten opzichte van elkaar en ten opzichte van wat we er mee beogen.
Het totale instrumentarium bestaat uit twee soorten, te weten:
1. Activiteiten, die door de gemeente rechtstreeks dan wel via de door de gemeente gesubsidieerde instellingen worden aangeboden aan de burgers van de stad Groningen.
2. Accommodaties (in termen van gebouwen, ruimten, openluchtvoorzieningen en dergelijke waar bewoners naar toe gaan. Het gaat dus (nog) niet om de activiteiten, maar om de accommodaties waar de activiteiten plaats kunnen vinden).
Belangrijkste kenmerk van deze benadering/denkwijze is een onderscheid in activiteiten/accommodaties naar basisvoorzieningen, plusvoorzieningen en innovatieve voorzieningen.
Onder basisvoorzieningen vallen die activiteiten/programma’s en accommodaties die voor iedereen toegankelijk zijn. Onder plusvoorzieningen verstaan we de activiteiten/programma’s en accommodaties die we op basis van analyses van problematiek noodzakelijk vinden voor specifieke doelgroepen en derhalve toevoegen op stedelijk, buurt of wijkniveau. Onder innovatieve voorzieningen verstaan we de activiteiten/programma’s en accommodaties die als nadrukkelijk vernieuwend kunnen worden aangemerkt. Het gaat daarbij niet om de aanpassing van bestaande voorzieningen (als het goed is worden alle voorzieningen doorlopend in een cyclisch proces bijgesteld), maar om echt vernieuwende initiatieven.
Gegeven deze categorisering wordt het de BPI-benadering genoemd.

Het is evident, dat de ziel van OCSW natuurlijk de activiteiten zijn. Echter, de fysieke infrastructuur (binnen en buiten accommodaties en de kwalificaties en toerusting daarvan) is een voorwaarde om de activiteiten te kunnen doen plaatsvinden.
Daarbij moeten we ons realiseren dat activiteiten of de uitvoerders/aanbieders daarvan (hulpverleners, jongerenwerkers, docenten, etc.) verplaatsbaar zijn (bij wijze van spreken vandaag in buurt X en morgen in buurt Y). Accommodaties daarentegen zijn vast en worden gerealiseerd voor een periode van tientallen jaren. Het is natuurlijk een open deur, maar het impliceert wel dat we heel gedegen moeten omgaan met de keuzes van waar we wat voor soort accommodaties neerzetten. Het is ook niet voor niets dat er de nadrukkelijke wens is om te komen tot een integraal accommodatiebeleid.


1. Over Schaalgrootte van stad, wijk en buurt
Accommodaties en Activiteiten hebben een schaalgrootte in de zin dat een bepaald geografisch gebied wordt “bediend” of anders gezegd elke voorziening heeft een bepaald fysiek draagvlak nodig (in termen van aantal bewoners). Omdat accommodaties voor een reeks van jaren worden gerealiseerd is dit vooral van belang voor de categorie “accommodaties”.
Vandaar dat in het navolgende eerst ingezoomd wordt op de accommodaties. Uiteraard wordt daarbij met een “schuin oog” gekeken naar de activiteiten, omdat dat is waar het uiteindelijk omgaat. In onderstaand overzicht is van een aantal accommodaties aangegeven wat het gemiddelde bedieningsgebied of draagvlak is. Het zijn globale landelijke cijfers, die niet zo maar voor elke situatie kunnen worden toegepast. De cijfers geven wel een indruk van de theoretisch schaal waarop bepaalde voorzieningen “levensvatbaar” zijn. Deze theoretisch meetlat kan als startpunt gebruikt worden en gelegd worden naast de lokaal-specifieke situatie.
Onderstaand schema is dus niet meer dan een indicatief referentiekader.


Soort voorziening Bedieningsgebied/draagvlak Eenheid
Peuterspeelzaal 5.000 Inwoners
Dagopvang 10.000 Inwoners
Buurthuis 10.000 Inwoners
Gezondheidscentrum 5.000 á 8.000 Inwoners
Dienstencentrum 1.000 Ouderen
Gymzaal 5.000 Inwoners
Bron: Accommodatiemanagement en –beheer/ Elsevier


Een en ander leidt er toe dat het wenselijk is de stad “op te delen in hapklare brokken” op basis van omvang (aantal bewoners), de verschillende voorzieningen daaraan toe te delen en te bepalen of de voorzieningen als basis of plus moeten worden gedefinieerd. Gegeven het theoretisch kader over bedieningsgebied/ draagvlak zou de stad moeten worden opgedeeld in drie niveaus te weten:
1. Niveau 1. De stad als geheel.
Het gaat hierbij om stedelijke accommodaties, waarbij de locatie bepaald wordt vanuit de soort accommodaties en de daarin beoogde activiteiten. In geval van meerdere gelijksoortige accommodaties is spreiding over de stad een punt van aandacht.
2. Niveau 2. Een gedeelte van de stad met een omvang van 10.000 tot 20.000 inwoners.
Dit niveau valt samen met een huidige wijk of combinatie van huidige wijken. Het gaat hierbij om accommodaties met een middelgrote werkingssfeer.
3. Niveau 3 Een gedeelte van niveau 2 met een omvang van 2.000 tot 6.000 inwoners.
Dit niveau kan samenvallen met een huidige wijk, een huidige buurt of combinatie van buurten.
De bandbreedte van de niveaus is behoorlijk ruim genomen om zo veel mogelijk aan te kunnen sluiten bij de bestaande en gangbare indelingen van de stad. De indeling correspondeert met de indeling van de stad in 5 stadsdelen. Dit wil overigens niet zeggen dat de indeling aansluit bij de beleving van bewoners van wat voor hen een buurt of wijk is. Bewust zijn daarom aan de niveaus geen namen gekoppeld. Bij de indeling is wel zo veel mogelijk rekening gehouden met duidelijke fysieke barrières, maar nadrukkelijk niet met door bewoners ervaren barrières.
Dit is ook niet reëel omdat enerzijds door de toegenomen mobiliteit bewoners voorzieningen door de hele stad (kunnen) bezoeken en anderzijds soms historisch gegroeide banden generaties lang – ondanks barrières – blijven (bijv. binding woonschepenhaven met Oosterpark in verband met vroegere brug over Eemskanaal).

Een en ander leidt tot een indeling van de stad in 13 stedelijke gebieden en één landelijk gebied.
In onderstaand overzicht schema zijn de in totaal 14 gebieden benoemd.


In bijlage 1 wordt nader ingegaan op deze 14 gebieden (benoeming van de subindeling bestaande uit in totaal 42 gebieden van niveau 3 met aantal inwoners en woningen, enkele aanvullende relevante opmerkingen).
NB. Deze indeling in 14 gebieden is ook al gebruikt bij de nieuwe beleidsontwikkeling ten aanzien van de sociaal culturele accommodaties.


2. Activiteiten en Accommodaties in drieën
De toedeling van activiteiten accommodaties naar niveau 1, 2 of 3 en vervolgens de definiëring als basis- of plus-accommodaties is geen sinecure. Het grijpt in in alle afzonderlijke beleidsvelden.
1. Activiteiten/accommodaties op niveau 1 (de stad)
Dit zijn voorzieningen met een stedelijke en/of (boven-)regionale functie (bv. Groninger Museum, De Papiermolen, Sportcentrum Kardinge, Schouwburg, Muziekschool, topsport-faciliteiten) en beleidsvelden met een aanpak op stedelijk of minimaal bovenwijks niveau (bv. jeugdhulpverlening, verslaafdenzorg en daklozenproblematiek). Hoewel het hierbij nadrukkelijk gaat om bovenwijkse beleidsonderdelen kunnen maatregelen vanuit deze beleidsonderdelen wel betekenis hebben voor het stadsdeel, wijk of buurt.
2. Activiteiten/accommodaties op niveau 2 (gebied 10.000 tot 20.000 inwoners)
Hierbij gaat het om al die voorzieningen die hun werkveld in een middelgroot gebied hebben met gemiddeld pakweg 15.000 inwoners. Het kan hierbij gaan om onder andere basisscholen, buurtcentra, jongerencentra, peuterspeelzalen, etc. Dit wil overigens niet zeggen dat al deze voorzieningen in al deze gebieden aanwezig zouden moeten zijn. Dat is nu net het onderscheid tussen de basis en de plus.
3. Activiteiten/accommodaties op niveau 3 (gebied 2.000 tot 6.000 inwoners)
Hierbij gaat het om al die voorzieningen die hun werkveld in een klein gebied met gemiddeld pakweg 4.000 inwoners. Op dit niveau zijn er geen basisvoorzieningen gedefinieerd. Dit impliceert dat het hierbij gaat om extra toegevoegde voorzieningen (plusvoorzieningen) op basis van specifieke omstandigheden/problemen in het gebied. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld kleinschalige taalcursussen voor allochtonen of een tijdelijk buurtpand in verband met wijkvernieuwing.
Op basis van de huidige beleidsuitgangspunten zal een eerste positionering gegeven worden van alle activiteiten en accommodaties naar niveau van de stad (1, 2 of 3) en naar basis of plus. Deze eerste positionering zal in september worden afgerond. In bijlage 2 is het stramien daarvoor weergegeven met daarbij enkele voorbeelden.


3. De Basis oftewel “voor ieder wat wils”
Om te beginnen wordt de basis gevormd door het brede scala aan voorzieningen in de stad als geheel. Het gaat dan om al die voorzieningen op niveau 1; deels om unieke voorzieningen, deels gelijksoortige voorzieningen gespreid over de stad en goed bereikbaar.
Daarnaast wordt de vraag hoe het basispakket op niveau 2 gedefinieerd moet worden. Uiteraard wordt de basis gevormd door voorzieningen voor basisonderwijs en een sociaal culturele accommodatie. De verdere invulling en uitwerking zal in de komende maanden plaats vinden.
Daarbij wordt nog het volgende opgemerkt.
Door de koppeling van voorzieningen aan aantallen bewoners kan het beeld ontstaan van een soort eenheidsworst. Dit risico wordt via de volgende tweeslag vermeden.
1. Bevolkingssamenstelling
Het basispakket, c.q de omvang van de verschillende onderdelen wordt afhankelijk gesteld van de bevolkingssamenstelling. Simpel gezegd, in een qua bebouwing relatief jong gebied met veel peuters en jeugd ziet het basispakket er uiteraard anders uit dan in een relatief oude gesettelde vijftigerjaren wijk. Op basis van een normeringstelsel kan afhankelijk van de leeftijdsopbouw het basispakket per gebied worden vastgesteld. Dit impliceert ook dat dit basispakket door de loop der jaren heen geleidelijk aan verschuift als de bevolkingsopbouw van een gebied verandert. Het klinkt misschien wat mager, maar voor de gewenste differentiatie van het basispakket is alleen de leeftijdsopbouw van belang. Alle andere karakteristieken van een gebied – zoals verhouding autochtoon/allochtoon, inkomenspositie, werkloosheidspercentage, veel/weinig studenten, etc – zijn voor het basispakket niet van belang. Immers, het basispakket is er voor iedereen.


De basisscholen en de sociaal culturele accommodaties zijn voor iedereen toegankelijk en kunnen in principe voor iedereen wat bieden. Pas als er door bijzondere omstandigheden specifieke problemen ontstaan, kunnen (wellicht gerelateerd aan de bevolkingssamenstelling) “plussen” toegekend worden.
Uiteraard kan daar waar een zeer onwenselijke situatie gaat ontstaan op grond van zeg maar een hardheidsclausule beargumenteerd worden afgeweken van het normeringsysteem.
Dit betekent nadrukkelijk niet dat er dan een plusvoorziening wordt gerealiseerd. Het is een aanpassing van de basis, omdat de werkelijkheid nu eenmaal veel weerbarstiger is dan de theorie.
2. Bewoners aan zet
De invulling van het basispakket zal voor een deel door bewoners zelf vorm gegeven kunnen worden. Vanuit het beleidsterrein sociaal culturele accommodaties stellen we dat er op niveau
2 in alle gebieden een basisvoorziening komt voor sociaal culturele activiteiten – al dan niet gekoppeld aan een vensterschool. De invulling hiervan met programma’s en activiteiten is daarbij voor een belangrijk deel aan de bewoners. De accenten en verschillen die daarin gelegd worden is aan de bewoners.
Voorts zijn er verschillende in omvang bescheiden subsidiestromen waardoor afhankelijk van de initiatieven van bewoners het palet aan diversiteit in de basis kan worden ingekleurd. Zo zijn er tal van organisaties op het gebied van amateurkunst, toneelverenigingen e.d. en op meerdere plekken in de stad zijn kleine kinderboerderijachtige voorzieningen volledig gerund door vrijwilligers met alleen een bijdrage in de voederkosten.
Met eigen initiatief, eigen verantwoordelijkheid, zelf invullen en dan een klein duwtje in de rug van de gemeente ontstaat uitgaande van de basis een grote differentiatie.
De definiëring en invulling van de basis zal leiden tot een scherpere, maar vooral ook een helderder keuzetraject. Daarbij zij opgemerkt dat het startpunt op dit moment het brede terrein van OCSW is. Echter, andere beleidsterreinen kunnen evenzeer op deze wijze worden aangepakt. Als voorbeeld is hiervoor genoemd de kleinschalige kinderboerderij-achtige activiteiten.
Voorts wordt nog het volgende opgemerkt.
1. De verschillende stadsdelen, wijken en buurten hebben hun eigen stedenbouwkundige opzet met hoog en/of laagbouw, alleen wonen of een mix van wonen en werken, veel of weinig groen/water. Deze gegevenheden en de ligging bepalen de eigen karakteristiek van elk gebied en daarnaast en daarmee hun eigen geschiedenis.
2. Heel veel voorzieningen hebben een functie voor grote delen van de stad, de gehele stad of zelfs voor de regio. Het gaat daarbij om gemeentelijke voorzieningen (tehuis voor daklozen, sportpark, zwembad, voortgezet onderwijs, schouwburg), andere voorzieningen gelieerd aan de overheid (ziekenhuis, gevangenis, begraafplaats) alsmede commerciële voorzieningen (bioscoop kroeg, manege en noem maar op). Deze voorzieningen – soms wel en soms niet gewenst – bepalen in meer of mindere mate de signatuur van een woongebied.
Een en ander betekent dat een groot aantal factoren de aard en het karakter van elk woongebied bepalen met als gevolg een hoge mate van diversiteit. Een diversiteit die ook nadrukkelijk gewenst is.


4. De Plus oftewel “van knelpunt naar probleemoplossing”
Helaas heeft de wereld tal van minder leuke kanten. Het betekent dat in verschillende delen van de stad in meer of mindere mate problemen de kop op kunnen steken. Op basis van wijk- en buurtanalyses kunnen zgn. plusvoorzieningen aan het basispakket worden toegevoegd.
Voor een optimaal rendement bij het inzetten van plusvoorzieningen worden nog de volgende kanttekeningen gemaakt.


1. Tijdelijkheid van plusvoorzieningen
Plusvoorzieningen zijn per definitie tijdelijk en in eerste aanleg gaat het bij plusvoorzieningen om programma’s en activiteiten. Veelal zullen de extra programma’s en activiteiten ook hun fysieke vertaling krijgen in de vorm van een accommodatie. De flexibiliteit van de plusvoorzieningen wordt daarmee aanzienlijk minder. Programma’s/activiteiten, c.q. de daarvoor benodigde menskracht zijn verhoudingsgewijs eenvoudig te realloceren. Accommodaties daarentegen hebben een duurzaam karakter en brengen aanzienlijke aan de plaats gebonden structurele lasten met zich mee. Vandaar dat bij het inzetten van plusvoorzieningen een zekere terughoudendheid moet worden betracht ten aanzien van de accommodaties. Overigens moet worden onderkend dat extra aandacht voor specifieke gebieden als gevolg van problemen/knelpunten doorgaans een fors aantal jaren beslaat.
2. Kwaliteit van analyses.
Plusvoorzieningen worden ingezet om problemen op te lossen en knelpunten weg te werken.
De analyses van wijken en buurten zijn de verantwoording waarom er extra inzet gepleegd wordt. De kwaliteit, helderheid en eenduidigheid van analyses is daarmee van groot belang.
De analyses zullen de aard, de achtergrond, de oorzaak e.d. van problemen en knelpunten bloot moeten leggen. Daarnaast zal van daaruit aangegeven moeten worden
– welke effecten op welke termijn met plusvoorzieningen beoogd worden.
– welke maatregelen en dus plusvoorzieningen moeten worden ingezet
Voorts zullen problemen en knelpunten zich zelden en waarschijnlijk nooit voordoen op de schaalgrootte van de 14 onderscheiden gebieden (niveau 2) met een inwonertal van gemiddeld zo’n 15.000. Doorgaans gaat het om vraagstellingen op het onderliggende niveau 3 van de 42 gebieden met een inwonertal van 2.000 – 6.000. En incidenteel kan het zelfs gaan om knelpunten op een nog kleiner schaalniveau.
De analyses zullen dan ook op het juiste schaalniveau moeten inzoomen en evenzo zullen de extra inspanningen in programma’s en activiteiten op dat niveau moeten insteken.
Zoals reeds is aangegeven gaat het bij plusvoorzieningen primair om programma’s en activiteiten. Niettemin zal het vaak genoeg ook gaan om een accommodatie. Als een extra accommodatie nodig geacht wordt zal nadrukkelijk moeten worden beoordeeld of het wel verantwoord is op het schaalniveau van de betreffende problematiek in te steken met een accommodatie. Bij accommodaties met hun hoge lasten – met name in de tijd gezien – zal de uitnutting vooral op een hoger schaalniveau moeten liggen. Met andere woorden: een extra accommodatie dient – uitzonderingen daargelaten, maar dan zeer goed beargumenteerd – een functie voor het schaalniveau 2 te hebben. Wel kan door het kiezen van de locatie een bewust gekozen positieve uitwerking op schaalniveau 3 ontstaan.
Volledigheidshalve wordt nog het volgende opgemerkt.
De regelmatige wijkanalyses dienen in feite twee doelen. Enerzijds wordt de ontwikkeling van de wijken gemonitord met als doel na te gaan of het pakket aan basisvoorzieningen bijgesteld moet worden (zie ook 3. De Basis; 1. Bevolkingssamenstelling). Anderzijds gaat het om de analyse van de knelpunten om de eventueel noodzakelijke “plussen” te definiëren
3. Plus blijft plus en het gras van de buren
De 14 onderscheiden gebieden hebben elk hun eigen karakteristiek. Het ene gebied is homogener dan het andere gebied. Binnen de 14 gebieden op niveau 2 liggen wijken en buurten met ieder weer hun eigen kwaliteit en verschijningsvorm. Basisvoorzieningen zijn er alleen op niveau 2 en plusvoorzieningen op het niveau waarop de knelpunten zich voordoen. Plusvoorzieningen zijn een extra inspanning om knelpunten op te lossen en zijn dus per definitie maatwerk voor problemen. (N.B. Plusvoorzieningen zijn er nadrukkelijk niet om onwenselijkheden met betrekking tot de basisvoorzieningen op te lossen.)


Sommige delen van de stad zullen dus iets extra’s krijgen. Iets extra’s om een knelpunt of probleem te tackelen. Niets menselijk is ons echter vreemd en dat betekent onder andere dat bij de buren het gras altijd groener is. Plusvoorzieningen zijn gekoppeld aan het traject “problematiek – analyse – oplossing”. Dit betekent dat de argumentatie voor een plusvoorziening nimmer kan plaatsvinden onder verwijzing naar de buren.
Een en ander impliceert dat scherp voor ogen gehouden moet worden wat basis en wat plus is.


5. En innovatie dan??
In ruwe zin is het onderscheid aangegeven van basis en plusvoorzieningen. Maar wat is nu innovatie? Als het goed is, wordt bijgehouden of gemonitord wat het effect is van onze inspanningen; wordt “gemeten” in de een of andere vorm of we realiseren wat we beogen. Via een cyclisch proces kan het instrumentarium van basis- en plusvoorzieningen bijgesteld en fijn geslepen worden. Dergelijke bijstellingen zijn geen innovatie; het is – en helaas is dat niet altijd het geval – het standaard proces om “bij de les te blijven”
Innovatie is echt iets nieuws. Een activiteit of programma waarvan we echt niet weten of het wel werkt; een echt heel nieuwe aanpak. Dergelijke noviteiten kunnen ook (nog) niet ingedeeld worden in basis of plus; ze kunnen alleen als experiment uitgeprobeerd worden.
Bij het indelen van het huidige instrumentarium is er dus ook geen onderdeel innovatie. Hooguit zou een budget binnen een beleidsveld afgezonderd kunnen worden waarmee echt vernieuwende experimenten gefinancierd kunnen worden.

Tot slot en hoe nu verder?
Deze benadering heeft tot doel samenhang te bewerkstelligen.
Een samenhang waarbij:
? enerzijds helder wordt welke voorzieningen zeg maar standaard beschikbaar zijn als basistoerusting van onze stad als geheel en de onderscheiden deelgebieden en
? anderzijds welke extra inspanningen en maatregelen we treffen om knelpunten via het traject “probleem – analyse – oplossing” te lijf gaan.
Deze denk en werkmethode krijgt uiteraard pas body en gaat pas leven als we hem “invullen”. Bij de ontwikkeling van het beleid ten aanzien van de sociaal culturele accommodaties hebben we deze methode voor het eerst toegepast. En het mag gezegd de benadering werkt verhelderend, scherpt het denken en de te maken keuzes aan.
De komende maanden gaan we het brede instrumentarium (en activiteiten en accommodaties) van de dienst OCSW positioneren met toepassing van deze benadering.
Dit zal dit najaar resulteren in een overall-overzicht.