KADERNOTITIE WELZIJN

“IEDEREEN DOET MEE”

 

Inleiding

‘We willen een stad waar mensen graag willen wonen en werken. Met aantrekkelijke wijken, veilig, schoon en goed onderhouden. Met goede scholen, sportvoorzieningen en gezondheidszorg. Een dynami-sche en veelkleurige stad, met ruimte voor nieuwkomers. Waar mensen actief zijn en meedoen, niet alleen in werk, maar ook in verenigingen, maatschappelijke organisaties en hun eigen wijk. Waar mensen een beetje naar elkaar omkijken, waar mensen worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid, maar ook zorg en ondersteuning voor wie dat nodig heeft. Want een sterke stad is bij uitstek een sociale stad.’

Dit is de filosofie achter de stadsvisie Groningen, sterke stad, actieve Stadjers, in een notendop weergege-ven. In het verlengde van deze filosofie hebben wij onze welzijnsvisie vormgegeven. Het welzijnsbeleid moet in onze optiek een bijdrage leveren aan de programmadoelstelling van de Sociale Pijler: iedereen doet mee.

Voor u ligt de Kadernota voor het welzijnsbeleid 2006-2010. Op basis van deze nota willen we ons wel-zijnsbeleid verder uitwerken. We koersen er op deze uitwerking in het voorjaar van 2005 door de raad te laten vaststellen. Uiteraard hebben wij ons bij de uitwerking van deze kadernota laten leiden door de ka-derstellende notitie van de raad, zoals die op 24 november 2004 is vastgesteld.
Met de belangrijke bouwstenen die door de raad zijn aangereikt zijn we verder aan de slag gegaan.

Met de raad zijn wij van mening dat welzijn alle burgers van de stad aangaat. Het gaat dan om voorzie-ningen en activiteiten waardoor mensen zich kunnen ontwikkelen en ontplooien en kunnen deelnemen aan de samenleving. De leefwerelden van de burgers kunnen we in een vierluik samenvatten: wonen, leren, werken en ontspannen. Al naar gelang de levensfase verandert het behoeftepatroon. Vanuit de gemeente zorgen we voor een samenhangend pakket aan voorzieningen, dat op de leefwerelden en levensfasen in-speelt. Samen met maatschappelijke partners en de markt zorgen we voor een goede en veilige woonom-geving, een brede onderwijsinfrastuctuur en bevorderen we de werkgelegenheid. Aan ontspanning dragen we bij door een breed aanbod op het gebied van sport en cultuur. We zorgen voor winkels en vrijetijds-voorzieningen als theaters, kroegen, bioscopen etc. Sommige voorzieningen zijn stedelijk, maar voor de meeste geldt dat ze ook op stadsdeel of wijkniveau gesitueerd zijn. Denk aan de wijkwinkelcentra, de sporthallen en de Vensterscholen. Maar ook de buurtkroeg floreert op vele plaatsen in de stad. Daarmee wordt de sociale samenhang in de stad, maar ook in de wijken en buurten ingevuld. Wel moeten we con-stateren dat die samenhang, mede onder invloed van de individualiseringstrend, onder druk komt te staan. Niet overal en niet overal in dezelfde mate. Wij vinden het van belang hier nieuwe impulsen aan te geven.

Met het brede aanbod aan voorzieningen wordt voor de meeste mensen het begrip welzijn, het gevoel er bij te horen en mee te kunnen doen, ingevuld. Voor die mensen hoeven we dan ook vanuit het welzijnsbe-leid niets extra’s te doen.Voor een deel van onze burgers geldt echter dat ze niet van dit aanbod gebruik kan maken. Vanwege immobiliteit, vanwege een te smalle beurs of anderszins. Hun sociale netwerk is onvoldoende en het gevaar bestaat dat sommigen “afglijden” naar isolement en non-participatie. Het wel-zijnsbeleid zal zich intensiever op deze groep burgers richten.

Daarnaast moeten wij ons realiseren dat een groot aantal voorzieningen, naast de inzet van professionals, alleen maar in stand kan worden gehouden met de inzet van vrijwilligers. Denk bij voorbeeld aan het draaiende houden van sportverenigingen, vrijwillige thuiszorg en buurtaccommodaties. Gelukkig zijn er in onze stad op diverse terreinen vrijwilligers actief. Daar zijn we heel blij mee. De komende jaren willen we het aantal vrijwilligers aanzienlijk vergroten. Het veranderende Rijksbeleid op het gebied van de WWB en de WMO, nopen ons daar ook toe.

Leeswijzer
Vanuit een analyse van de huidige situatie met maatschappelijke ontwikkelingen en trends zoomen we in op een duidelijke rolverdeling tussen individu, civil society (maatschappelijke verbanden) en overheid. Vervolgens gaan we in op de vraag hoe we vanuit de lokale overheid, in samenhang met andere partijen, het welzijnsbeleid willen vormgeven. Naast inhoudelijke keuzes gaan wij ook in op de vraag hoe wij de sturing en verantwoording binnen het welzijnsbeleid willen inrichten. Tot slot leggen we een relatie met de financiën.

In deze fase gaat het om het stellen van kaders. Dus de hoofdlijnen van beleid. De feitelijke invulling, bij voorbeeld de keuze welke activiteiten waar plaatsvinden en hoeveel accommodaties daarvoor nodig zijn, kan pas plaats vinden als we het over de kaders eens zijn. Graag gaan wij daarover met u in debat.


1. Analyse en opgaven

In dit hoofdstuk gaan we in op A. maatschappelijke ontwikkelingen en trends en B. 10 jaar welzijnswerk in Groningen. Op basis van deze analyse komen wij tot de opgaven voor het toekomstige welzijnswerk.

A. Maatschappelijke ontwikkelingen en trends

Maatschappelijke ontwikkelingen
Om een goede welzijnsvisie tot stand te laten komen zullen we rekening moeten houden met de maat-schappelijke veranderingen die hebben plaatsgevonden. De stad Groningen is in hoge mate een kennissa-menleving geworden. Groningen is landelijk gezien de absolute koploper in het aantal ‘kenniswerkers’ (45% van het aantal banen is op HBO en academisch niveau). Volgens de socioloog Manuel Castells ge-nereert de kennissamenleving individualisering en een erosie van traditionele verbanden. Deze conclusie wordt door onderzoeken van het Sociaal Cultureel Planbureau bevestigd.

Er zijn echter ook andere signalen. Het Sociaal Cultureel Planbureau constateert ook het volgende: “In het algemeen verwachten de burgers in de toekomst een samenleving die harder is en meer prestatiegericht, minder sociale zekerheid biedt en minder gelijkheid garandeert in de beschikbaarheid van gezondheid en zorg dan nu het geval is. Nederlanders kiezen voor een samenleving met een grote gemeenschapszin en met veel kenmerken die, nu ze dreigen te verdwijnen, hooggewaardeerd blijken te zijn”.
Opgave: het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in wijken en buurten.

Een ander aspect van de kennissamenleving is dat het hoge eisen stelt aan mensen. Eisen waar niet ieder-een aan kan voldoen en marginalisering kan dan op de loer liggen. Uit een recent onderzoek van het soci-aal cultureel planbureau blijkt dat 10% van de Nederlanders sociaal buitengesloten is. Dit betekent dat men beschikt over een gering sociaal netwerk en een slechte toegang tot maatschappelijke voorzieningen als onderwijs, huisvesting en zorg.
Opgave: gerichte acties ontwikkelen voor de groep stadjers die in een sociaal isolement verkeren dan wel daarin dreigen te komen verkeren.

De participatie van allochtonen zal de komende jaren de nodige aandacht vragen. In onze nota “Bruggen Slaan” hebben wij de beleidslijnen voor de komende jaren neergelegd. Wij hebben daarin ook gewezen op het belang van interculturalisatie voor de zelfredzaamheid van allochtonen. Met interculturalisatie bedoe-len we dat organisaties en instellingen maatregelen nemen die er toe leiden dat allochtonen meer en beter gebruik kunnen maken van reguliere voorzieningen. Met als uiteindelijk doel actieve participatie van al-lochtonen en daarmee ook ontmoeting van verschillende culturen. De spanningen die er af en toe zijn tus-sen verschillende (culturele) bevolkingsgroepen in de samenleving en de verharding die dat incidenteel met zich meebrengt (zoals recent naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh), onderschrijven het belang van interculturalisatie nog eens.
Opgave: het op gang brengen van een dialoog om de interculturalisatie in de stad te stimuleren.

Wet Maatschappelijke Ondersteuning(WMO)
Een factor waar we gericht aandacht aan moeten besteden is de vermaatschappelijking (van de zorg). Dit is de trend dat ouderen en gehandicapten zo lang mogelijk in eigen omgeving blijven wonen en dat de voorzieningen daarop (moeten) worden aangepast. Mensen moeten nu nog een beroep doen op verschil-lende regelingen (vervoer: WVG; tafeltje dekje: welzijnsinstelling; huishoudelijke hulp: AWBZ).
Met de komst van de WMO verandert dit.
Belangrijke taken op het gebied van welzijn, zorg en hulpverlening, die nu nog door het Rijk worden uit-gevoerd, komen onder directe verantwoordelijkheid van de gemeente te staan. Doel van de WMO is dar er op gemeentelijk niveau één loket ontstaat voor alle zaken op het gebied van welzijn en zorg. Dit betekent dat de gemeente in de toekomst belangrijke knopen moet doorhakken als het gaat om de problematiek van de vergrijzing en de zorgschaarste die daaruit voortvloeit.
Wij verwijzen hiervoor ook naar de nota ”De WMO een eerste verkenning”.

Daarbij zal de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een groot effect op de toekomstige invulling van het welzijnswerk hebben, aangezien een sterke civil society de kern van het beleid vormt. Daarmee wordt beoogd dat mensen zorg en ondersteuning in hun eigen omgeving organiseren en elkaar helpen. We hebben het dan over het vrijwilligerswerk en de mantelzorg. Burgers zullen tegelijkertijd afnemer en ver-lener van hulp en ondersteuning zijn.
Opgave: het versterken van de civil society door het faciliteren van vrijwilligers en hun organisatie; het positioneren van welzijn in samenhang met wonen en zorg.

Participatie in Groningen
Wanneer naar participatie (in de vrije tijd) wordt gekeken dan blijkt uit de Groninger leefbaarheidenquête dat vooral ouderen, lager opgeleiden, uitkeringsgerechtigden en huisvrouwen relatief minder participeren. Hoewel deze groepen minder participeren, maken ze verhoudingsgewijs juist veel meer gebruik van buurtvoorzieningen.
Dit weerspiegelt zich in een recent onderzoek. Gemiddeld genomen blijkt dat 17% van de Groninger be-volking gebruik maakt van buurthuizen. Maar in wijken met een bepaalde sociale structuur zoals Vinkhui-zen (31%) en Lewenborg (24%) ligt dit percentage veel hoger. Dat betekent dat deze groep dus minder of geen gebruik maakt van het brede stedelijke aanbod. Om verschillende redenen zijn zij op hun buurt of wijk aangewezen. Dit betekent dat er qua aanbod sprake zal moeten zijn van maatwerk; de maat van de burgers en de maat van de wijk/buurt.
Opgave: een passend aanbod ontwikkelen voor mensen die niet of beperkt op eigen kracht participeren.

Wet Werk en Bijstand
De komst van de Wet Werk en Bijstand heeft ons genoodzaakt tot een herijking van het reïntegratiebeleid. Wij zullen de keuze moeten maken om de reïntegratiemiddelen meer in te zetten op toeleiding naar regu-lier werk, waardoor activiteiten die in het kader van reïntegratie worden verricht, tijdelijker van aard zijn.
Deze keuze heeft gevolgen voor de huidige maatschappelijke en reïntegratiebanen. Een aanzienlijk deel daarvan bevindt zich in de welzijnsector, onder meer personeel dat via de beheerpool wordt ingezet in de buurt- en clubhuizen.
Opgave: een evenwichtige afweging maken tussen het belang van de maatschappelijke infrastructuur en de belangen van de reïntegrerende werkzoekenden.

Een andere consequentie van deze keuze is dat mensen met nauwelijks of geen perspectief op de arbeids-markt niet meer aan reïntegratieactiviteiten zullen deelnemen. Aan deze groep zullen we andere vormen van tijdsbesteding moeten aanbieden.
Opgave: onderzoeken hoe we voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een alternatief kun-nen bieden in de vorm van vrijwilligerswerk dan wel gestructureerde dagbesteding..

B. 10 jaar welzijnswerk in Groningen
Wanneer we de laatste tien jaar van het welzijnsbeleid in de Stad overzien dan is er in deze periode vooral ingezet op het creëren van meer zakelijke verhoudingen tussen opdrachtgever (overheid) en opdrachtne-mer (instellingen).Tegelijkertijd is er ingezet op het professionaliseren van het welzijnswerk en op het beter betrekken van burgers (vraagbepaling).

Een eerste invulling van dit streven was de oprichting van WING, een fusie van een aantal welzijnsorgani-saties in de Stad. Hierdoor ontstond tevens een organisatie waarin verschillende werksoorten waren on-dergebracht. Er werden wijkplatforms in het leven geroepen, waarbij de gemeente meer op afstand ging staan en vooral budget en randvoorwaarden bepaalde.

In 1999 werd met de introductie van Partners in Welzijn (PIW) een invulling gegeven aan de begrippen zakelijkheid en professionaliteit door offertes, kostprijzen en concrete prestatieafspraken. Inhoudelijk was het sociale structuurplan (SSP) leidend. Waarbij de focus vooral was gericht op werk en inkomen, segre-gatie en integratie en de leefkwaliteit in kwetsbare wijken. Speerpunt waren kinderen en jongeren.
Anno 2004 is het tijd om een balans op te maken. Wat is er van de beoogde zakelijkheid en professionali-sering terechtgekomen? En welke inhoudelijke progressie hebben we met het SSP geboekt? Er zijn reeds harde noten gekraakt over het faillissement van WING. Wij kunnen en willen niet al te zeer vooruitlopen op de conclusies van het raadsonderzoek.

De belangrijkste conclusie die wij nu al wel trekken is dat aan beide zijden, zowel aan de kant van de op-drachtgever (gemeente) als van de opdrachtnemer (WING), nog te weinig zakelijk en professioneel is gewerkt.
Zakelijke en professionele verhoudingen vergen het nodige van de welzijnsinstellingen. Het vraagt om een inzichtelijke werkwijze en een goede kostprijssystematiek. Overigens leert de ervaring dat een enkele instelling, hier qua professionaliteit en zakelijkheid, wel toe in staat is gebleken. Aan de gemeentelijke kant vraagt het een striktere opstelling als afgesproken prestaties niet worden gehaald.
Opgave: gemeente en welzijnsinstellingen moeten zakelijke en professionele afspraken maken waarbij we vanuit de gemeente scherper moeten definiëren “wat” we willen en de wijze “hoe” het wordt uitgevoerd, overlaten aan de professionals.

De betrokkenheid van burgers en vraagbepaling is weliswaar uit de startblokken gekomen, maar heeft nog niet de volledige wasdom bereikt. Dit is mede veroorzaakt doordat wij wellicht te hoge verwachtingen hebben gekoesterd van de buurtorganisaties. Aan hen kunnen geen eisen worden gesteld, die we van be-taalde professionals wel vragen.
Opgave: eigentijdse invulling geven aan het mobiliseren, organiseren en activeren van wijkorganisaties.

Inhoudelijk trekken we over het SSP de volgende conclusie. Als visie bood het een goed kader. Er zijn veel goede resultaten geboekt, vooral wat betreft accommodaties en het jeugd en jongerenwerk. Door de veelheid aan projecten en de onduidelijke financiering ontstond echter een onbeheersbaar geheel.
Onduidelijk is ook wat de bijdrage is geweest van het welzijnswerk aan de verschillende beleidsvelden. Bijvoorbeeld de samenhang tussen participatie, welzijnswerk, en doelstellingen als de beoogde verminde-ring van de werkloosheid.
Opgave: we zullen scherpere prioriteiten moeten stellen en meer moeten inzetten op samenhangende pro-gramma’s.

Last but not least noemen wij de ontwikkeling van de Vensterscholen/wijken Deze hebben in de jaren negentig een enorme vlucht genomen. Er zijn nu 10 Vensterscholen/wijken. Naast vanzelfsprekend on-derwijs is binnen de Vensterscholen ook een fiks aantal welzijnsvoorzieningen met diverse participanten onder één dak gebracht.
Opgave: de kracht van de Vensterscholen nog meer benutten voor buurt- en wijkactiviteiten.

Resumé van de opgaven

Ten aanzien van de maatschappelijke doelen van het welzijnswerk:
? het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in wijken en buurten, waarvan de intercultu-rele dialoog een belangrijk onderdeel is;
? het voorkomen en verminderen van sociaal isolement door activiteiten, vormen van dagbesteding en begeleiding naar vrijwilligerswerk;
? het versterken van de civil society door het faciliteren van vrijwilligers en hun organisaties.

Ten aanzien van het beleidskeuzeproces voor het welzijnswerk:
? we zullen scherpere prioriteiten moeten stellen;
? een evenwichtige afweging maken tussen het belang van de maatschappelijke infrastructuur en de belangen van de reïntegrerende werkzoekenden;
? gemeente en welzijnsinstellingen moeten zakelijke en professionele afspraken maken waarbij we van-uit de gemeente scherper moeten definiëren “wat” we willen en de wijze “hoe” het wordt uitgevoerd, overlaten aan de professionals;
? we zullen de samenhang met andere beleidsterreinen zoals onderwijs, reïntegratie en sociale active-ring, zorg en volkshuisvesting beter moeten benutten.

Ten aanzien van instrumenten in het welzijnswerk:
? de kracht van de Vensterscholen nog meer benutten voor buurt- en wijkactiviteiten;
? het positioneren van welzijn in samenhang met wonen en zorg;
? eigentijdse invulling geven aan het mobiliseren, organiseren en activeren van wijkorganisaties.


2. Rollen en verantwoordelijkheden

Het is voor de vormgeving van het welzijnsbeleid belangrijk om weer te geven wat de verdeling in rollen en verantwoordelijkheden is tussen de individuele burger, de maatschappelijke organisaties (civil society) en de overheid. Daarbij gaat er ons niet om in deze driedeling de verantwoordelijkheid eenzijdig bij een van deze drie partijen neer te leggen. Juist door een samenspel wordt het optimum bereikt. Het gaat om een slagvaardige overheid, een sterke civil society en om verantwoordelijke individuen. Wij lichten dit kort toe.


Individu en samenleving
In de Stadsvisie hebben wij al opgemerkt dat we het belangrijk vinden dat we in samenleving leven waarin mensen naar elkaar omkijken en waar mensen worden aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid. Een verantwoordelijkheid die niet op houdt bij de voordeur. De rol die het vrijwilligerswerk daarin speelt, dus het geven van steun “om niet”, is van vitaal belang voor deze Stad.
Wij willen ons hierin vooral ondersteunend opstellen. Maar wel op een manier die past bij de huidige tijd. Volgens het SCP ‘vertoont de binding met organisaties namelijk steeds vaker de trekken van een lat-relatie die ruimte laat voor wisselende contacten; de organisaties zelf lijken steeds vaker op een soort par-ticipatie-uitzendbureau’s’. Wij zien dat ook in de Groningse situatie. Voor een deel van de accommodaties is het uiterst moeizaam bestuurders te vinden die zich voor langere tijd willen verbinden. Dit leidt er toe dat een aantal accommodaties draait op een “ambtelijk bestuur”. Wij vinden dit een ongewenste situatie.
Dit vraagt om een grotere opgave om mensen te binden en te boeien en een flexibele opstelling van vrij-willigersorganisaties. Dit zullen de organisaties op eigen kracht moeten doen, maar de overheid kan wel belangrijke faciliteiten scheppen.


Overheid en individu
Gelukkig geldt voor de meeste burgers dat zij hun leven heel goed op eigen kracht vorm kunnen geven. Op deze wijze weten de meeste mensen hun ‘welbevinden’ ook goed in te vullen.. Echter niet voor ieder-een, er blijven mensen die tussen wal en schip belanden. De begrippen eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid moeten ook niet verworden tot een dogma. In de praktijk geldt dat niet iedereen met evenveel aanleg en talenten is bedeeld. En sommigen hebben meer pech dan anderen en hebben daarom wat meer steun nodig.

Bovendien vinden we het onverteerbaar als grote groepen noodgedwongen langs de zijlijn blijven staan en niet (in staat zijn) maatschappelijk (te) participeren Dat biedt legitimatie voor de overheid om een gerich-te interventie te plegen, om mensen weer bij de samenleving te betrekken. Overigens altijd met de doel-stelling om mensen zoveel mogelijk het stuur weer in eigen handen te geven (de zogenoemde empower-ment gedachte).

Overheid en samenleving
In de analyse kwam al naar voren dat individualisering (en erosie van sociale verbanden) een tegenreactie op roept. Nederlanders waarderen gemeenschapszin als een groot goed. De recente polarisatie in de sa-menleving onderstreept dit nog eens extra. Ook in de kadernotitie van de raad wordt gesproken over het stimuleren van ‘ontmoeting en wijkgevoel, bevordering van sociale cohesie.’
We willen dit doen op een manier die past bij moderne geëmancipeerde burgers. Wij laten ons daarbij leiden door een uitspraak van Kees Schuijt die stelt: “de samenleving is goed ingericht indien ze mensen voldoende mogelijkheden geeft om elkaar te ontmoeten en tegelijk voldoende mogelijkheden geeft om el-kaar te ontlopen”.


3. Het nieuwe welzijnsbeleid

In de inleiding hebben we aangegeven dat de gemeente op vele manieren bijdraagt aan het creëren van mogelijkheden voor onze burgers om maatschappelijk te participeren. Ons onderwijs-, arbeidsmarkt-, sport- en cultuurbeleid is er onder andere op gericht mensen actief deel te laten nemen aan het maatschap-pelijk leven. In dit hoofdstuk gaan wij nader in op de specifieke bijdrage die wij vanuit het welzijnsbeleid willen leveren aan ‘iedereen doet mee’. In hoofdstuk 1 spraken wij over de samenhang van het welzijnsbe-leid met andere programma’s. Die slag willen wij hier dan ook maken. Het beleid voor jeugd en jongeren, ouderen en minderheden hebben wij in algemene zin vastgelegd in respectievelijk het Integraal Jeugd Beleid, het rapport “Zorgen voor Morgen” en de beleidsnota “Bruggen Slaan”.Voor de zeer kwetsbare burgers hebben wij het programma “Uit de Goot” ontwikkeld. Het Welzijnsbeleid dat wij hieronder be-schrijven is in die zin complementair maar vormt tegelijkertijd de verbindende schakels.

Tegen deze achtergrond komen wij tot een tweetal welzijnsdoelstellingen:

1. Het bevorderen van de sociale samenhang

2. Het stimuleren van de maatschappelijke participatie van kwetsbare groepen


1. Sociale samenhang
Met het bevorderen van de sociale samenhang willen wij bereiken dat mensen elkaar ontmoeten, verant-woordelijkheid voor zichzelf en anderen nemen en een beetje (meer) naar elkaar omkijken. We verwach-ten dat daarmee de leefbaarheid in de wijken en buurten toeneemt. Het is uiteraard maar beperkt mogelijk om sociale samenhang vanuit de overheid te bevorderen; het gaat daarbij vooral om de betrokkenheid en de houding, dus om het gedrag van mensen zelf.

De lokale overheid heeft via het welzijnsbeleid een ondersteunende en faciliterende rol. Die willen wij op drie manieren invullen. Ten eerste door versterking van het vrijwilligerswerk. Ten tweede door het creëren van een ontmoetingsplaatsen in de wijken, onder andere in de vorm van (sociaal culturele) accommoda-ties. En ten derde door verschillende vormen van bewonersondersteuning.

1.1 Ondersteuning en facilitering van vrijwilligerswerk
In hoofdstuk 2 constateerden wij al dat het vrijwilligerswerk en de mantelzorg van niet mis te verstane waarde voor de samenleving zijn. Vrijwilligerswerk heeft allereerst en intrensieke waarde. Mensen bele-ven er plezier aan om vrijwilliger te zijn en dat anderen zich als vrijwilliger voor hen inzetten. Vrijwilli-gers geven door hun keuze ook aan wat ze echt belangrijk genoeg vinden om zich ook zonder betaling in te zetten. Mits ze goede faciliteiten krijgen, kan de inzet van vrijwilligers worden gezien als een indicatie van het belang van bepaalde typen activiteiten.

Daar komt nog bij dat we zonder (voldoende) vrijwilligerswerk onmogelijk de bestaande maatschappelij-ke infrastructuur op het gebied van welzijn, zorg, cultuur en sport in stand kunnen houden. Het is bijvoor-beeld ondenkbaar en onwenselijk dat buurthuizen zonder vrijwilligers gerund zouden worden. Alle reden voor de overheid om ervoor te zorgen dat het huidige werk dat door vrijwilligers wordt verricht, te behou-den. Sterker nog: het aantal mensen dat als vrijwilliger inzetbaar is zal de komende jaren nog moeten toe-nemen.

De vraag is hoe wij het vrijwilligerswerk het beste kunnen ondersteunen. De motivatie zal vanuit de men-sen zelf moeten komen. Maar we kunnen het wel aantrekkelijker maken door bijvoorbeeld:
- het bieden of vrijlaten van een vrijwilligersvergoeding;
- het werken als vrijwilliger met behoud van uitkering mogelijk te maken;
- vrijwilligersondersteuning aanbieden binnen wijkservicepunten (helpdesk, administratiekantoor);
- het regelen van verzekeringen voor vrijwilligers;
- het subsidiëren van vrijwilligersvacaturebanken;
- het subsidiëren van educatie voor vrijwilligers;
- en last but not least: door instellingen die een rol hebben in het inzetten en coachen van vrijwilligers op maatschappelijke projecten (bijvoorbeeld Humanitas, Stichting Stiel en het Rode Kruis) te onder-steunen.
In de uitwerkingsnota zullen wij dit verder invullen.

De potenties die de Stad in zich heeft kunnen we beter benutten. Onze stad heeft immers een hele grote groep studenten en ‘jonge ouderen’ (50-70) die we beter dan nu bij het lokale vrijwilligerswerk kunnen betrekken.

1.2 Accommodaties
Voor de sociale samenhang in onze stedelijke samenleving achten wij het van groot belang dat mensen elkaar op wijk- en buurtniveau kunnen ontmoeten. Dat ze een plek hebben om een praatje met elkaar te maken, een kopje koffie te drinken, cursussen te volgen en activiteiten met elkaar te ondernemen. Daarom delen wij met de raad dat het wezenlijk is dat er in iedere wijk plekken zijn waar dit plaats kan vinden. Dat kunnen buurthuizen zijn, maar ook Vensterscholen, sportkantines, bibliotheekfilialen, verzorgingshuizen of cafés. Met andere woorden, een ontmoetingsplaats in de wijk hoeft niet het exclusieve stempel van een sociaal-culturele accommodatie te hebben. Daar waar mogelijk willen we aansluiten bij de al bestaande voorzieningen. Immers, bij combinaties van voorzieningen snijdt het mes vaak aan twee kanten.
Wij willen bezien of bestaande accommodaties als hierboven benoemd niet beter als integrale ontmoe-tingsplek kunnen worden benut.
Maar ook achten wij het heel goed mogelijk dat commerciële en welzijnsactiviteiten in de toekomst onder één dak plaatsvinden.

Dat betekent dus dat we vinden dat niet iedere wijk of buurt een specifiek sociaal-cultureel centrum moet hebben. Wel dient er op redelijke afstand een ontmoetingspunt aanwezig te zijn. Het gaat ons om de func-tie, niet om een gebouw. Op basis van de beschikbare middelen is het trouwens ook ondoenlijk om het huidige aantal sociaal-culturele accommodaties op een aanvaardbaar niveau in stand te houden. We zullen dus keuzes moeten maken en vooral creatiever zijn.
Met bovenstaande lijn wijken wij af van de concept-accommodatienota die wij in het voorjaar van 2004 hebben gepresenteerd. Daarin zijn wij uitgegaan van een evenwichtige spreiding van de accommodaties over de stad (per ca.14.000 inwoners één accommodatie). Als richting voor onze nieuwe accommodatie-nota willen wij aanhouden dat we kritischer kijken waar een sociaal-culturele accommodatie in de vorm van een buurthuis of een speeltuingebouw een relatie heeft met de door ons gestelde doelen in het wel-zijnsbeleid. Te denken valt aan de prioritaire wijken en wijken met een relatief hoog aantal kwetsbare groepen. En in die wijken waar onvoldoende ontmoetingsgelegenheden zijn.

Een goed voorbeeld van de manier hoe we in de toekomst met welzijnsvoorzieningen om willen gaan, is het concept van het woonservicegebied dat wij momenteel voor ouderen ontwikkelen. Binnen een woon-servicegebied wordt een samenhangend aanbod aan publieke en commerciële voorzieningen op de terrei-nen wonen, welzijn en zorg voor de doelgroep aangeboden.

De tweede richting voor de aangepaste accommodatienota is dat we de subsidiëring van activiteiten even-eens koppelen aan onze doelstellingen. Dat betekent dat we ons focussen op activiteiten die gericht zijn op de kwetsbare groepen en die participatie en interculturalisatie bevorderen. Voor het overige willen we alleen de exploitatie (=accommodatie gebruiksklaar) subsidiëren. We vinden – juist ook om de sociale samenhang te stimuleren - dat mensen zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor het organiseren en financieren van de overige activiteiten.
Verder zullen we in 2005 nog uitgebreid met elkaar komen te spreken over de inzet van de maatschappe-lijk gesubsidieerde banen in Groningen. Het belang van deze banen voor het beheer van de sociaal culture-le accommodaties zullen wij daarbij scherp op het netvlies hebben.

1.3 Bewonersondersteuning
Bewonersparticipatie kent verschillende vormen. Traditioneel houden bewonersorganisaties zich veel bezig met het behartigen van belangen. Daarnaast kunnen bewoners via bewonersorganisaties of accom-modatiebesturen meedenken en mee vormgeven aan het activiteitenaanbod van welzijnswerk.
Ten derde is het in de hele stad, maar het meest in de kwetsbare wijken, wenselijk om mensen actief te benaderen om mee te doen met wat er in de wijk gebeurt. In feite was dit het doel van het traditionele op-bouwwerk. Het doel is nog steeds actueel, omdat werkelijke sociale samenhang alleen tot stand komt als veel mensen meedoen en bovendien willen we mensen uit een isolement halen. Op die manier kunnen de welzijnsactiviteiten daadwerkelijk meer dan een selecte actieve groep bereiken.

Als we de bewoners meer bij hun wijken en buurten willen betrekken zullen we ze daartoe moeten verlei-den en belonen, maar waar nodig ook faciliteren. Dit laatste kan in de vorm van ondersteuning van het vrijwilligerswerk en van de bewonersorganisaties. Voor dit laatste is nieuw beleid in voorbereiding.
Daarbij zal rekening worden gehouden met datgene waartoe de organisaties in staat zijn en waar ze ook zelf belang bij hebben. Niet iedere wijk is immers hetzelfde en niet iedere wijk kent dezelfde participatie-graad of de behoefte daaraan. Met de nieuwe verordening zal dus meer maatwerk worden geleverd.
In wijken waar er sprake is van meervoudige problematiek, bij voorbeeld sociale en/of fysieke wijkver-nieuwing, willen wij een extra inzet leveren. Wij denken dan aan een eigentijdse en op maat gesneden aanpak via het opbouwwerk. Met projecten als “Heel De Buurt” en “Onze Buurt aan Zet” hebben wij intussen goede ervaringen opgedaan. Deze lijn willen we de komende tijd verder gaan uitbouwen. Dit geldt ook voor de inzet van buurtconciërges. Dit in goed overleg met de woningcorporaties.

2. Participatie van kwetsbare groepen
Onder kwetsbare groepen verstaan wij groepen mensen die minder maatschappelijk participeren. Door-gaans zijn dit mensen zonder werk en / of met een krappe beurs, een lage opleiding, een bepaalde beper-king en geen of een klein sociaal netwerk. Een deel van de ouderen behoort tot deze groep, maar ook een deel van de minderheden en de jongeren Door een cumulatie van oorzaken kunnen deze groepen afglijden naar sociaal isolement en non-participatie. Vanuit het welzijnsbeleid willen we interventies plegen om dit ‘afglijden’ in een zo vroeg mogelijk stadium te ondervangen. Dat willen we doen door het netwerk om deze mensen sluitend te maken en begeleiding van activiteiten en gestructureerde dagbesteding aan te bieden.

2.1 Een sluitend netwerk
Voorkomen is meestal beter dan genezen. Dit vereist dat problemen vroegtijdig moeten worden gesigna-leerd. Verschillende organisaties, professionals en vrijwilligers kunnen daarin een rol spelen. Wij denken daarbij aan een netwerk van Vensterscholen, sportverenigingen, hulpverlening, politie/justitie, corporaties en maatschappelijk werk dat signalen doorgeeft aan professionals en instellingen die deze mensen benade-ren voor een aanpak.

Het oppikken van signalen is alleen maar zinvol als het wordt gevolgd door snelle interventie. Daarvoor is het noodzakelijk dat de verschillende maatschappelijke organisaties beter samenwerken. Het komt nog te vaak voor dat deze organisaties langs elkaar heen werken. Wij zullen met de betreffende organisaties in overleg treden om het netwerk van signaleren en vervolgaanpak sluitend te maken. Bovendien willen we onderzoeken hoe we kunnen stimuleren dat vrijwilligers in dit netwerk een rol als intermediair op kunnen pakken.

2.2 Activiteiten en gestructureerde dagbesteding
Wij vinden dat het subsidiëren van sociaal culturele activiteiten er vooral toe moet leiden dat kwetsbare mensen weer mee gaan doen en sterker worden in hun zelfredzaamheid en in het nemen van eigen verant-woordelijkheid. Ook de inzet van professionele begeleiding bij activiteiten willen wij opnieuw bezien. Wij kunnen ons namelijk ook goed voorstellen dat een deel van de activiteitenbegeleiding met behulp van vrijwilligers gerealiseerd kan worden. Daarbij geldt dus als randvoorwaarde dat op wijkniveau voldoende laagdrempelige ‘ontmoetingsplekken’ zijn waar deze activiteiten plaats kunnen vinden.

In onze analyse gaven we al aan dat we in de toekomst onze reïntegratiemiddelen onder invloed van de nieuwe Wet Werk en Bijstand gerichter zullen moeten inzetten op de uitstroom naar werk. Dat betekent dat een grote groep mensen, die nu deelneemt aan een reïntegratietraject dan buiten de boot zal vallen.De dreiging dat een deel van deze mensen, als we niets doen, zal afglijden naar isolement en non-participatie, realiseren wij ons maar al te goed. We zullen daarop een antwoord moeten hebben. Een antwoord dat me-de wordt ingevuld door het aanbieden van gestructureerde dagbesteding en verwijzing naar vrijwilligers-werk. Dit tegen de achtergrond dat het toeleiden naar werk voor sommige mensen ‘een brug te ver’ is, maar dat sluit niet uit dat zij zich maatschappelijk nuttig kunnen maken, zoals door vrijwilligerswerk.We zullen daar in onze uitwerkingsnotitie voor het welzijnsbeleid en het voorstel voor het nieuwe reïntegra-tiebeleid uitgebreid op terugkomen.

Als mensen zorg of intensieve hulpverlening behoeven, bieden de welzijnsinstrumenten onvoldoende mo-gelijkheden.Wel zullen we bezien of er vanuit het welzijnsbeleid aanvullend acties kunnen worden onder-nomen in aansluiting op programma’s als “Gezonder Zorgen” en “Uit de Goot”.


4. Sturing en verantwoording

Met de ervaringen van het recente verleden in het achterhoofd willen wij de komende tijd meer aandacht schenken aan sturing en verantwoording binnen welzijn. Welke vorm we daarin ook kiezen, we willen de komende periode in elk geval de basis van de verantwoording en controle op orde hebben. Dit is ook een belangrijk thema in de reorganisatie van de dienst OCSW. Zaken als het opdrachtgeverschap resultaatver-antwoording, uitvoering en monitoring spelen daarbij een rol.

Qua verantwoordingssystematiek achten wij twee zaken een groot belang: een goede publieke verant-woording en ’meer handen aan het bed dan aan de pen’. Dit betekent dat wij het systeem van sturing en verantwoording simpel en helder willen inrichten. Wij zullen per onderdeel van het welzijnsbeleid aange-ven wat de kern is van wat we willen bereiken (kwantitatief en kwalitatief), om aan de hand daarvan pu-blieke verantwoording af te kunnen leggen

Wij willen de in PIW aangekondigde burgerbetrokkenheid opnieuw tegen het licht houden. We willen bezien hoe we zo goed mogelijk de wensen van burgers kunnen betrekken bij het vormgeven van het be-leid. Bewonersorganisaties zijn voor ons een belangrijk aanspreekpunt. Maar we willen ons hier niet toe beperken. We willen als gemeente ook zelf actief in gesprek met bewoners. Ook met mensen die we tot nu toe nog niet goed hebben kunnen bereiken.


Dit heeft ook een duidelijke relatie met het politieke besluitvormingsproces. Op basis van de publieke verantwoording van de instellingen, de resultaten van de burgerparticipatie en de beleidsmatige adviezen, moet de raad in staat worden gesteld om scherpe politieke keuzes te kunnen maken. Dit kan dan jaarlijks bij het Voorjaarsdebat aan de orde komen.

Wij zullen ons ook beraden op de vraag op welke wijze het uitvoerend werk het beste kan worden geposi-tioneerd. Onze voorkeur gaat in ieder geval niet uit naar een gemeentelijke dienst. Wij vinden het een gezonde zaak dat er enige afstand is tussen de opdrachtgever en de uitvoerder. Dit maakt een zakelijker opstelling mogelijk, maar is in vele gevallen ook transparanter. Daarnaast legt de WMO restricties op in verband met het uitvoeren van taken door de gemeente. Wij willen nu nog geen keuze gaan maken of er sprake zal zijn van aanbestedingen of van een meer reguliere subsidierelatie.

Verder vinden we de integraliteit bij de uitvoering van de werksoorten van groot belang. Dat was destijds de reden voor de oprichting van één welzijnsorganisatie, in casu Wing. Voor de toekomst zijn verschillen-de scenario’s mogelijk: weer een grote welzijnsinstelling zoals WING was, doorgaan met de huidige situa-tie van verkaveling over diverse instellingen of een variant op de eerste en de tweede. Onze eigen ervarin-gen, die van de instellingen en niet in de laatste plaats van de gebruikers, zullen we daar in mee laten we-gen.

5. De financiën

De bestaande budgetten hebben we als uitgangspunt genomen. In de bijlage geven we een overzicht van alle relevante budgetten. Daarbinnen willen we op dit moment de keuzes maken. We willen de verschil-lende budgetten in de toekomst echter effectiever en flexibeler gaan inzetten. Er zal ook wel sprake moe-ten zijn van verschuivingen, aangezien we de ondersteuning van het vrijwilligerswerk hoge prioriteit toe-kennen.
En als we accommodaties willen ondersteunen, dan zal dat ook op een verantwoorde manier moeten plaatsvinden. Uit de reacties op de concept-accommodatienota is ons wel gebleken dat de middelen die wij voor de beheerskosten hadden uitgetrokken, door de accommodatiebesturen als onvoldoende werden ervaren.
Bij het aanbrengen van verschuivingen zal uiteraard rekening moeten worden gehouden met eerder aange-gane verplichtingen. Dat betekent dat veranderingen niet op de korte termijn en over de volle breedte kun-nen worden toegepast.

We willen daar waar mogelijk een eigen bijdrage van deelnemers vragen. Hiervoor hebben wij aangege-ven dat voor de accommodatienota als uitgangspunt geldt dat het organiseren van activiteiten een zaak is van het accommodatiebestuur en de buurt en dat bijdragen van deelnemers en baromzetten hierin kunnen voorzien. Maar er zijn ook andere oplossingen denkbaar, bij voorbeeld het heffen van de contributies bij activiteiten met een langere looptijd.

Verder merken wij op dat de in het kader van de bezuinigingen voor de brede sector welzijn/ maatschap-pelijke zorg nog een taakstelling van € 350.000 dient te worden ingevuld. Dit is inclusief een eerder afge-sproken bedrag van € 175.000 in het kader van de accommodatienota. Daarnaast is voor 2005 een aantal incidentele maatregelen getroffen voor activiteiten die door de herverkaveling van de Wing-werkzaamheden met stopzetting bedreigd werden. De voortzetting van deze activiteiten zullen in het licht van de uitwerking van deze kadernotitie en de beschikbare middelen, integraal worden afgewogen.
Tot slot zullen de financiële effecten van de decentralisering van de WMO nog meegenomen moeten wor-den. Deze zijn nu nog onbekend.

6. Het vervolg

Deze kadernotitie geeft de hoofdlijnen weer voor de nieuwe invulling van het welzijnsbeleid. Wanneer deze kadernota, al dan niet geamendeerd, is vastgesteld zullen wij in de eerste maanden van het volgende jaar de uitwerking ter hand nemen.

Dit betekent dat er nog een uitwerking volgt op de gebieden:
- sociale samenhang en burgerparticipatie
- vrijwilligerswerk
- inzet vrijwilligers ten opzichte van professionals
- accommodatiebeleid
- de relatie met de instellingen

Dit moet uitmonden in een definitieve versie die op 30 maart 2005 door de raad kan worden vastgesteld. Direct daarna zullen we het formele inspraaktraject ingaan. Mede op basis daarvan wordt het beleid defi-nitief vastgesteld. En kunnen de uitvoeringsmaatregelingen in gang worden gezet.

Financiële bijlage Kadernotitie Welzijn (begroting 2005)

Omschrijving Structureel Incidenteel

Vrijwilligerswerk en sociale activering 704.000

Opbouwwerk 316.000 68.000 (4 jaar provincie)
136.000 (2005)

Buurtconciërges 23.000 70.000 (2005 RO/EZ)

Bewonersorganisaties 256.000

Culturele minderheden en ouderen 475.000

Sociaal-culturele accommodaties
-exploitatie 1.975.000
-beheer 1.000.000