Voorlopige reactie BBOG bestuur op de accommodatienota van de gemeente Groningen

1. Inleiding
Wij hebben kennis genomen van de jongste accommodatiebeleid. Wij bemerken dat de zorgvuldige procesgang heeft geleid tot een heldere nota. Ook valt ons de grote inzet op van het college om dit alles tot een goed einde te brengen. Wij zijn u daarvoor erkentelijk.
Het valt niet te verwachten dat wij het op alle punten met het college eens zijn. Soms hangt dat samen met een andere manier van kijken naar de materie, soms zijn onjuiste conclusies getrokken en om maken wij ons grote zorgen over mogelijke effecten van het nieuwe beleid.

Wij betreuren dat het niet is gelukt een totale samenhang te presenteren van wat er in wijken gebeurt (buurtconciërges, opbouwwerk, etc.), terwijl dit toch een uitdrukkelijke wens van de raad is. Een visie op vrijwilligerswerk, ouderenwerk en opbouwwerk ontbreekt. Evenals de betekenis daarvan voor het functioneren van buurtcentra. Wij beschouwen het ontbreken van deze samenhang als een gemiste kans.

Centrale vraag voor het BBOG bestuur is of na twee en een half jaar debat de opvattingen van Gemeente en BBOG bestuur tegenover elkaar staan. Wij beseffen dat het antwoord sterk afhangt van degene die deze vraag beantwoordt. Wij zullen in onze reactie op het accommodatiebeleid een poging ondernemen.

2. De visie(s)
Zoals we destijds hebben betoogd, menen wij dat het college met het accommodatiebeleid een trend volgt. Het gevaar van het eenzijdig reageren op trends in het welzijn is dat dit onder meer kan leiden tot symptoombestrijding, het regelmatig omgooien van structuren, verdere versmalling van doelgroep(en).

De stad is de afgelopen jaren geconfronteerd met meer en zwaarder wordende kwetsbare groepen in kwetsbare wijken. Professionals en vrijwilligers zagen zich geplaatst tegenover zwaardere problemen van groepen mensen. Het gevolg is dat in het sociaal cultureel werk stilzwijgend een verschuiving plaatsvond. In algemene zin is deze verschuiving te duiden van behoefte en wensen van wijkbewoners naar het ingaan op hulp en opvang van kwetsbare groepen in kwetsbare wijken. Deze versmalling zal zich in de toekomst voortzetten. Telkens zal opnieuw gekozen worden voor de meest zware groepen. Zodoende tracht de lokale overheid grip te houden op deze trend in de (stedelijke) samenleving. De nota laat dit ook zien. Buurtcentra moeten open staan voor kwetsbare groepen in de (kwetsbare) wijk. Het college neemt geen beleidsverantwoordelijkheid voor het reguliere sociaal cultureel werk op basis van wensen en behoeften van wijkbewoners (uit kwetsbare en niet-kwetsbare wijken), want dit behoort niet meer tot haar beleidsterrein (voorbeelden: Piccardthof, Reitdiep, Hoornse Wijken).

Een destijds door het BBOG bestuur gestelde vraag waar sociaal cultureel werk eindigt en hulpverlening begint is met de nota beantwoord. Sociaal Cultureel Werk valt niet onder de beleidsverantwoordelijkheid van de gemeente en behoort tot het verleden. Buurtcentra mogen sociaal culturele activiteiten ontwikkelen, maar dienen uit eigen middelen de ondersteuning te betalen. De nota pleit voor een balans in het aanbod activiteiten in het kader van de ontmoetingsfunctie en welzijnsprogrammering, maar de gemeente neemt alleen beleidsverantwoordelijkheid voor de welzijnsprogrammering: hulp en opvang activiteiten zoals vooral geformuleerd in prestatievelden 2 t/m 9 van de toekomstige Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

Het zal zeer lastig zijn uit eigen middelen vorm te geven aan de functie ontmoeting van het sociaal cultureel werk. De wensen en behoefte van de wijkbewoner staan niet meer centraal, de functie sociaal cultureel werker is verdwenen en de functie opbouwerker beperkt. Beide functies zijn belangrijk voor de relatie tussen de wijk en het buurtcentrum. Ook de methode om vanuit de ontmoeting individuele problemen van deelnemers zichtbaar te krijgen en van daaruit eventueel door te verwijzen naar hulp verlening verdwijnt. Veel individuele problemen worden door het hebben van een gemeenschappelijke cultuur van de ontmoetingsactiviteiten gekanaliseerd (signalering en sociale cohesie). Met de uitvoering van deze nota zal dat tot het verleden gaan behoren. Daarmee staat de nota haaks op prestatieveld 1 van de WMO. Daar gaat het om het bevorderen van de sociale cohesie, burgerschap, participatie, ontwikkelingen van onderen op (bottum up) tegenover de welzijnsprogrammering van de accommodatienota (top down).

Terug naar de vraag: staan de visies tegen over elkaar? Wat het BBOG bestuur betreft niet. Wij juichen het van harte toe wanneer hulp- en opvanginstellingen meer aan de voorkant gaan werken, dus bij hulpvragers eerder in beeld komen. Alleen wij vrezen een eenzijdige aanpak. Dat leidt tot segregatie van kwetsbare groepen, een spiraal naar beneden, met alle problemen van dien, want het gedrag van sommige kwetsbare groepen in een buurtcentrum laat zich vaak niet met andere groepen combineren. Uitersten laten zich nu eenmaal niet verbinden. De laatste jaren heeft het BBOG bestuur zich hard gemaakt voor innovatie van het sociaal cultureel werk door deze te richten op activiteiten die de gemeenschapszin bevorderen. Juist nu in onze tijd sociale verbanden in een rap tempo verdwijnen, de desintegratie toeneemt en het onbehagen in de samenleving groeit. De visies staan in de opvatting van het BBOG bestuur niet tegenover elkaar maar zijn complementair. De stedelijke samenleving heeft er baat bij wanneer beide lijnen in balans worden ontwikkeld. Dat betekent dat de lokale overheid beide visies tot haar beleidsterrein dient te beschouwen.
Zodoende neemt het college alle prestatievelden van de WMO serieus. Alleen wij vrezen dat voor prestatieveld 1 onvoldoende middelen beschikbaar komen die in geen verhouding staan tot de middelen die bestemd zijn voor de prestatievelden 2 t/m 9 (welzijnsprogrammering).

3. Het Beheer
Het BBOG bestuur kan niet begrijpen dat bij de verkaveling de accommodatiebesturen niet zijn gehoord over hoe om te gaan met het beheer. Daardoor zijn onze plannen nooit serieus afgewogen en voorgelegd aan de gemeenteraad. Nu is over de hoofden van de besturen beslist. De keuzevrijheid van autonome besturen is daarmee ernstig aangetast. De huidige situatie laat zien dat ca. 50% van de buurtcentra zelfstandig werkgever is. De overige centra zijn gedwongen het beheer van de WPG af te nemen. Zij wensen hun zeggenschap over hun beheermiddelen terug te krijgen. Een zevental heeft een eigen beheerorganisatie opgericht (coöperatie COBUS). Zij zien niets in een structuur waarbij zich een externe organisatie zich tussen de besturen en de gemeente plaatst, een bron van spanning is en financieel wankel is. Zij willen via dit coöperatieve verband hun beheer (CAO beheerders) in eigen hand houden, rechtstreeks contact onderhouden met de gemeente en de financiële risico tot een minimum beperken (statutair afgedekt).

Het BBOG bestuur stelt vast dat het oprichten van deze coöperatie naadloos aansluit bij de aanbevelingen van het onderzoek naar het faillissement van stichting WING dat in opdracht van de gemeenteraad door de commissie Kouwenhoven, de Vries en Verschuren is verricht. Bovendien ziet het BBOG bestuur de oprichting van COBUS als een eerste concrete stap in het kader van het onderzoek Vertrouwen in de Buurt dat door de heer Winsemius is verricht in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en in het verlengde liggen van prestatieveld 1 van de WMO.
Wij pleiten voor maatwerk dat de keuzevrijheid van autonome buurtcentra besturen in takt laat. Dat betekent dat besturen of zelfstandig werkgever kunnen zijn, of zich in een coöperatief verband kunnen verenigen of beheer van de WPG kunnen afnemen.


4. De financiën
Met de nieuwe systematiek dienen buurtcentra behoorlijk wat in te verdienen om een exploitatie sluitend te krijgen, sommigen zelfs meer dan 40%. Het inverdienen kan via activiteiten in het kader van de ontmoetingsfunctie of via semi commerciële verhuur van ruimten. De eisen in het kader van de welzijnsprogrammering kunnen dit inverdienen onder druk zetten. Het college maakt niet duidelijk of buurtcentra in dergelijke situaties worden gecompenseerd. Een voorbeeld: jongerencentrum Tuinwijk voorziet per 1 januari 2007 een tekort van ca. 12.000 euro als gevolg van de welzijnsprogrammering. Bij buurtcentrum Stadspark doet een soortgelijke situatie voor met een tekort van 10.000 euro. Het college heeft nog geen oplossing voor dit probleem. Besturen zijn verantwoordelijk voor een gezonde exploitatie. Wanneer het college geen afdoende oplossing heeft voor dit knelpunt, maar wel tot uitvoering van de nota overgaat, kunnen besturen die dit treft niet aanblijven.

5. Het toetsingskader
Dit hoofdstuk is interessant. Het legt het toetsingskader uit en trekt onmiddellijk conclusies zonder het toetsen toe te passen op de individuele centra. Wij kunnen de stappen dus niet volgen. In oktober is gevraagd om inzicht te verschaffen in de toepassing van het toetsingskader. Op 8 november j.l. heeft u dit toegezegd. Wij constateren dat wij nog steeds niet over de gevraagde informatie beschikken. Wij verzoeken u nogmaals ons hierin inzicht te geven. Het blijft bijvoorbeeld nu onduidelijk waarom in de binnenstad twee centra subsidie wordt onthouden terwijl toch sprake is van een inwoneraantal van ca.11.000. U concludeert dat gebleken is dat er geen vraag is naar sociaal cultureel werk in de binnenstad. Wij verzoeken u dit onderzoek openbaar te maken. Pas dan kan over het intrekken van subsidies een besluit genomen worden. Ook de rapportage van Deloitte geeft geen inzicht waarom u in de ene situatie subsidie intrekt terwijl wel degelijk sprake is van een functionerend centrum (bijvoorbeeld Hunzeborg, Kreukelhof) en in een andere situatie u subsidie verstrekt terwijl er een bezettingsgraad van 0% bestaat (ACL, Trefpunt).
Wij stellen dat de accommodatienota is uitgekomen op 6 oktober j.l. en dat de rapportage van Deloitte op 17 oktober j.l. is afgerond. Dat brengt ons op de vraag naar de zin van de rapportage voor de accommodatienota.

6. Schema:
Onderstaand schema tracht inzicht te geven in de verschillende uitwerkingen van de visies
Sociaal Cultureel Werk Welzijnsprogrammering

- preventief - reactief
- wijkgericht - probleemgericht
- innovatief - volgt trend
- dynamisch beleid - wijzigt structuren / systematiek
- breed - smal
- ontmoeting - hulp en opvang
- activiteiten voor gemeenschapszin - welzijnsprogrammering
- prestatieveld 1 WMO - prestatievelden 2 t/m 9 WMO
- bottum up - top down
- dialoogsturing - vraagsturing (vraag van wie?)
- sociaal cultureel werkers/ opbouwwerk - hulpverleners
- geen beleidsterrein gemeente - beleidsterrein gemeente

7. Voorlopige eindconclusie
In de accommodatienota kiest het college voor het beleidskader kwetsbare groepen in kwetsbare wijken die via de welzijnsprogrammering (hulp- en opvangactiviteiten) worden bediend. De functie ontmoeting in het sociaal cultureel werk rekent het college niet meer tot haar beleidsterrein. Er is sprake van een beleidswijziging. Bovendien staat de nota daarmee haaks op prestatieveld 1 van de WMO. De relevantie van de nota is bovendien niet te beoordelen vanwege het ontbreken van de totale samenhang. De toepassing van het toetsingskader is niet transparant. Er bestaan onduidelijkheden over het compenseren door de gemeente van exploitatietekorten bij buurtcentra vanwege de eisen van de welzijnsprogrammering.

8. Het BBOG bestuur roept de gemeenteraad op om:
• vanwege de complementariteit de functies van het sociaal cultureel werk tot het beleidsverantwoordelijkheid van de gemeente te maken en de daarvoor benodigde middelen vrij te maken. Het jaar 2006 te benutten om de accommodatie nota aan te passen via prestatieveld 1 van de WMO, via het Winsemiusrapport Vertrouwen in de Buurt (WRR) en via de uitkomsten van de pilots die in het kader zijn gehouden van Heel de Buurt en OBAZ
• vanwege het ontbreken van de totale samenhang via deze aanbevelingen nieuw beleid te ontwikkelen voor vrijwilligerswerk, opbouwwerk, ouderenwerk en voor het ontwerpen van een nieuwe subsidieverordening
• per centrum inzicht te verschaffen in de toepassing van het toetsingkader en in dat kader onderzoek naar de vraag naar sociaal cultureel werk in de binnenstad openbaar te maken
• het besluit om het intrekken van de subsidies aan de St. Jan en de Holm aan te houden tot dat dit onderzoek openbaar is
• die sociaal culturele activiteiten in die centra waaraan subsidie wordt onthouden, onder te brengen in voor die doelgroep bereikbare en geschikte accommodaties
• de keuzevrijheid van autonome buurtcentra besturen onaangetast te laten door hen de zeggenschap over hun eigen beheermiddelen terug te geven
• buurtcentra financieel te compenseren wanneer zij hun inverdien capaciteit verliezen vanwege de eisen van de welzijnsprogrammering

Namens het bestuur van
het Buurtcentra Besturen Overleg Groningen,

Coen van der Heijde, voorzitter

Groningen, november 2005