Aan de Commissie Zorg & Beheer.Aanvulling op de voorlopige reactie van het BBOG op de accommodatienota, december 2005 De accommodatienota confronteert buurtcentra met nieuw beleid.
Het college kiest voor een inhoudelijke beleidswijziging in het
welzijn. Deze wijziging heeft grote gevolgen voor: De accommodatienota heeft een rudimentair deel, de harde kant van de accommodatie, en een deel over de nieuwe functie(s) van de accommodatie. Op het rudimentaire deel kan het BBOG bestuur weinig vat krijgen. De nota vertoont nogal wat ’open einden’, die zich bij individuele centra negatief lijken te vertalen. Een groot knelpunt is dat veel centra zelf meer moeten gaan inverdienen. Dat kan ernstig onder druk komen te staan door bijvoorbeeld de eisen van de nieuwe welzijnsprogrammering. We zien hier dat de nieuwe inhoud van het welzijnswerk de exploitatie van een buurtcentrum raakt. De ’techniek’ aan de harde kant (het rudimentaire deel) kan er goed uit zien, maar gecombineerd met inhoudelijke keuzes kan die techniek centra voor grote inhoudelijke en financiële knelpunten plaatsen. Het BBOG meent dat het college de effecten van zijn inhoudelijke welzijnsbeleid op de (financiële) ontplooiing van accommodaties onvoldoende in beeld heeft. 1. De beleidskeuze voor hulp en opvang van specifieke doelgroepen in specifieke wijken (welzijnsprogrammering) betekent dat het college de beleidsverantwoordelijkheid loslaat voor het sociaal-cultureel werk in de stad. Voortaan worden de activiteiten in die sfeer volledig overgelaten aan vrijwilligers. Het welzijnswerk richt zich niet meer op alle wijken en op de gehele wijk (sociale cohesie), maar op probleemgroepen in probleemwijken. Daarmee vervalt de preventieve methode van het sociaal-cultureel werk om vanuit activiteiten – die gemeenschapszin bevorderen – individuele problemen te signaleren bij wijkbewoners, deze problemen de kanaliseren (omzien naar elkaar) of te verwijzen naar hulpverlening. Wat overblijft is opvang en hulpverlening aan groepen met gelijksoortige problematiek in specifieke wijken. Wij constateren dat de nota geen tegenwicht kent in preventie. Het BBOG roept de Gemeenteraad op beleidsverantwoordelijkheid te blijven nemen voor het sociaal-cultureel werk. Dat betekent de algemene preventieve werking van sociaal-cultureel werk en activiteiten te erkennen, deze als zodanig te blijven subsidiëren (door middel van agogische ondersteuning) in plaats van de beleidsverantwoordelijkheid uitsluitend op vrijwilligers af te schuiven. 2. Het BBOG constateert dat de accommodatienota wel de WMO-prestatievelden 2 t/m 9 bedient, maar niet prestatieveld 1. De welzijnsnotitie van de raadscommissie stelt het bevorderen van sociale cohesie (prestatieveld 1) en wijkgerichtheid als uitdrukkelijke voorwaarden waarlangs het nieuwe beleid zich dient te ontwikkelen. Buurtcentra hebben daarbij met nadruk een rol. Het bevorderen van sociale cohesie is per definitie wijkgericht (gericht op iedereen) en niet eenzijdig probleemgericht. In dit verband snappen wij de tweedeling niet die het college maakt in de welzijnsnota. Daarin benoemt het college twee belangrijke doelstellingen: het creëren van sociale samenhang en het ervoor zorgen dat iedereen mee kan doen. Voor het BBOG geldt een doelstelling: het bevorderen van sociale cohesie door ervoor te zorgen dat iedereen mee kan doen. Het BBOG roept de Gemeenteraad op in het kader van prestatieveld 1 van de WMO sociale cohesie te bevorderen in alle wijken en gericht op iedereen. De rol van buurtcentra daarbij te erkennen. Daartoe het opbouwwerk in te zetten om een brug te slaan tussen het buurtcentrum en de welzijnsvragen uit de wijk. 3. Het lijkt ons een goede zaak wanneer het college voorstelt per wijk tenminste een ontmoetingsplek in stand te houden. Alleen baseert het college dit op een zeer omstreden nieuwe wijkindeling. Deze is analoog aan de wijkindeling die gehanteerd wordt bij het ouderenwerk en de hulpverlening en is niet gebaseerd op breed welzijn, waarbij behoeften en wensen uit de buurt centraal staan. Daarmee laat het college de huidige wijkindeling gebaseerd op algemeen wijkwerk en sociaal-cultureel werk los. Dat heeft gevolgen voor buurtcentra. De conclusie om bijvoorbeeld de Hunzeborg subsidie te onthouden komt niet voort uit het toetsingskader, maar is gebaseerd op de nieuwe wijkindeling waarbij de Hunze niet wordt opgevat als wijk. Hetzelfde geldt voor de St. Jan en de Holm. De Binnenstad wordt niet als wijk gezien, dus aan beide centra kan subsidie worden onthouden. In de discussie zien we dit terug. Centra die subsidie wordt onthouden reageren met een opsomming van sociaal-culturele activiteiten gerelateerd aan de wensen en behoeften in de wijk. Het college beantwoordt deze signalen vanuit de nieuwe wijkindeling gerelateerd aan de toekomstige welzijnsprogrammering. Het resultaat is een totale spraakverwarring en onbegrip. Het BBOG roept de Gemeenteraad op de omstreden wijkindeling los te laten en zich te baseren op een wijkindeling die beantwoordt aan het algemene wijkwerk. 4. In de accommodatienota functioneert de toekomstige accommodatie niet zozeer meer als activiteitencentrum voor de buurt, maar gaat als centrum fungeren in het verlengde van hulp- en opvangorganisaties. Er is geen recent onderzoek gedaan naar behoefte en wensen van wijkbewoners. Ook de vraag naar sociaal-cultureel werk en activiteiten uit niet-kwetsbare wijken behoort niet meer tot het beleidsterrein van de gemeente. Het BBOG roept de Gemeenteraad op uit te spreken dat sociaal-cultureel werk en activiteiten bereikbaar moeten zijn voor alle geïnteresseerde stadsbewoners. Daarom dient dit werk tot het beleidsterrein van de gemeente te behoren. 5. Het toetsingskader beoordeelt de mogelijkheden van het gebruik van accommodaties op grond van de beleidswijziging (welzijnsprogrammering). Zonder recent onderzoek concludeert het college dat er geen vraag meer is naar sociaal-cultureel werk en activiteiten (bijvoorbeeld in de binnenstad). Het Participatieonderzoek van de gemeente uit 2003 laat zien dat 17% van de Stadjers de weg naar het buurtcentrum weet te vinden. Overigens is het Participatieonderzoek een nulmeting van het gebruik, geen behoefte-onderzoek. Ondanks een terugloop is te constateren dat Groningen boven het landelijke gemiddelde scoort. Als vuistregel wordt landelijk 15% van de bevolking aangehouden. Welke argumenten hanteert het college om een in potentie succesvol beleidsterrein af te stoten? Is het gerechtvaardigd buurtcentra te beoordelen via de voorgestelde beleidswijziging, zonder de vraag te stellen naar de behoefte aan sociaal-cultureel werk en activiteiten? Dit is wrang omdat het onthouden van subsidie aan een aantal centra is bedoeld om de beleidswijziging (welzijnsprogrammering) te financieren. Het BBOG roept de Gemeenteraad op een werkelijk onderzoek uit te voeren naar de vraag naar sociaal cultureel werk en activiteiten van wijkbewoners (dat is dus iets anders dan een onderzoek naar het feitelijke gebruik). U zou op basis van de uitkomst een besluit moeten nemen over die buurtcentra waarvan het college voorstelt de subsidie in te trekken. 6. Wij volgen het college wanneer het stelt dat buurtcentra meer dienen samen te werken: ”hoe meer samenwerking hoe liever het me is”, zei de wethouder in dit verband. Voor het beheer hebben zeven centra onlangs een coöperatie opgericht die klaarstaat om, op grond van jarenlange deskundigheid met het beheer, samen te werken in een collectief werkgeverschap (COBUS). Andere centra hebben te kennen gegeven zelf werkgever te willen blijven. Een paar centra wensen hun beheer af te nemen van een externe beheerorganisatie. Alle centra wensen hun zeggenschap over de beheermiddelen terug. Het BBOG stelt maatwerk voor dat de keuzevrijheid van autonome buurtcentra (particulier initiatief) erkent. Er is geen algemeen draagvlak voor een gedwongen beheerafname bij Werkprojecten Groep. Bovendien is er weinig vertrouwen in een externe organisatie die financieel wankelt. College: wij wijzen u er opnieuw op dat u met uw keuze voor WPG in dezelfde valkuilen trapt waarvoor uw bijzondere commissie onder leiding van de heer Kouwenhoven u heeft willen waarschuwen. Wij verbazen ons dat u een precedent schept door drie buurtcentra wel toe te staan hun zeggenschap over de beheermiddelen te behouden zodat zij zelfstandig hun beheer vorm kunnen geven. Daardoor ontstaat een ongelijke behandeling. Ook delen wij uw argumenten niet die de voordelen van een externe beheerpool moeten onderbouwen. Wij bestrijden dat gesubsidieerde arbeid alleen via een externe beheerpool kan worden ingezet. Wij vragen ons af hoe dat in andere sectoren is geregeld. Wij bestrijden dat doorgroeimogelijkheden en loopbaanontwikkeling gebonden zijn aan één centrale beheerpool. Wij bestrijden met klem dat de taak van een accommodatiebestuur het programmeren van activiteiten is. Statutair is bepaald dat de kerntaak nog altijd het exploiteren van een centrum is in relatie tot vragen en behoeften uit de wijk. Wij bestrijden dat professionaliteit, kwaliteit en continuïteit vanuit een externe beheerpool beter kan worden gewaarborgd. Wij wijzen u slechts op het onderzoeksrapport van uw bijzondere commissie onder leiding van de heer Kouwenhoven en op de huidige situatie van WPG. Wij delen de algemene opvatting dat de gemeente op gezonde afstand van een beheerorganisatie moet blijven. Wij bestrijden de constructie van een externe organisatie die de gemeente op ongezonde afstand van buurtcentra besturen plaatst. Uw hiërarchische schema laat dat ook treffend zien. Een externe organisatie staat tussen de gemeente en de accommodaties in. Het BBOG hanteert zelf een horizontaal schema waarbij de gemeente met de rug naar de accommodaties staat. Uw laatste argument laat zien dat het bureaucratische belang wordt gediend. U redeneert vanuit het gemeentelijke apparaat, uit het belang van centralisme. U gaat voorbij aan het feit dat de dienst OCSW een dienstverlenend apparaat is waarbij de wensen van de klanten (besturen) centraal staan. Het BBOG roept de Gemeenteraad op – mede op grond van de aanbevelingen van het rapport van de commissie Kouwenhoven, de Vries en Verschuren en de signalen uit het veld – om alle buurtcentra de feitelijke beschikking te geven over het hun toegerekende beheergeld en hun keuzevrijheid te garanderen. 7. Het BBOG deelt de mening dat uit de accommodatienota een sfeer van paternalisme ademt. Wij beschouwen dat niet van deze tijd, want het is juist deze sfeer die de laatste jaren de burger op afstand heeft gezet. Bovendien staat dat haaks op prestatieveld 1 van de WMO en de eigen gemeentelijke nota Lokale kleur bekennen en weerspreekt ervaringen die zijn opgedaan met pilots als Heel de Buurt en Onze Buurt Aan Zet (OBAZ). De nota dient in deze richting te worden aangepast. Daarbij bevelen wij van harte het rapport Vertrouwen in de Buurt aan dat de heer Winsemius schreef in opdracht van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het BBOG roept de Gemeenteraad op om de accommodatienota tegen het licht te houden van de aanbevelingen van onder meer het WRR-rapport “Vertrouwen in de Buurt”, een vergelijking daarmee op te stellen en deze voor definitieve besluitvorming aan de Raad voor te leggen. Het BBOG kan de accommodatienota niet op zijn relevantie beoordelen,
omdat deze een kant van de welzijnsmedaille uitwerkt – welzijnsprogrammering – en
nalaat de uitwerking in samenhang te doen met de andere kant van
die medaille, namelijk met een visie op sociaal-cultureel werk.
Wij beschouwen dit als een gemiste kans. De nota ontbeert daardoor
tegenwicht in echte preventie. Nu lijkt het erop dat er zich eerst
problemen moeten aandienen eer de gemeente haar verantwoordelijkheid
neemt. Door deze eenzijdigheid verandert de rol van buurtcentra
in de wijk. Deze versmalt en verschraalt. Bovendien holt de eenzijdigheid
de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de accommodatiebesturen
uit. Namens het Buurtcentra Besturen Overleg Groningen,
|