Groningen, 16 september 2003.
0) Presentatie door het Heerdenhoes-bestuur van functie en
ontwikkelingen m.b.t. Buurtcentrum ‘t Heerdenhoes.
1) Openingsronde
2) Huishoudelijk Deel.
a) Besluitenlijst BBOG-vergadering van 24 april j.l. (heeft ieder reeds ontvangen.)
b) Actielijst van 24 april j.l. (heeft ieder reeds ontvangen.)
c) Post
d) Vaststellen data volgende vergaderingen
e) Vaststellen eindtijd.
f) Vaststellen van de Agenda voor het Inhoudelijk Deel.
3) Inhoudelijk deel.
a) Verlenging contract Stadjerspas voor het jaar 2004.
Toelichting.
Voor het jaar 2003 is met de Stadjerspas een contract afgesloten met als globale
inhoud, dat alle leden van het BBOG kinderen t/m 12 jaar met een Stadjerspas
gratis laten deelnemen aan de reguliere kinderactiviteiten.
In ruil daarvoor zullen op basis van een concrete registratie van nummers en
deelname de werkelijk gederfde inkomsten van elk buurtcentrum door de Stadjerspas
worden gecompenseerd. (elke drie maanden). Daarnaast bevat de overeenkomst
bepalingen m.b.t. korting bij deelname aan kinderkampen e.d. Voor de compensatieregeling
was in ieder geval € 2270,- beschikbaar, bij forse overschrijding zou
overleg volgen.
Bij de evaluatie met Bureau Stadjerspas van de uitvoering van deze overeenkomst
bleek, dat slechts 1 buurtcentrum via de voorgeprogrammeerde lijsten een beroep
op de compensatieregeling heeft gedaan. Ook het beroep op de kampkorting was
gering. In het belang van de kinderen hecht Bureau Stadjerspas aan voortzetting
van de overeenkomst, maar de vraag is wel of het beroep van buurtcentra op
de compensatieregeling en de pleidooien voor meer geld (en klachten over te
weinig geld) in deze situatie nog wel serieus genomen moeten worden. In ieder
geval wordt voorgesteld de overeenkomst ongewijzigd voort te zetten en wordt
hierbij een oproep gedaan om binnen de kortste keren met afrekeningen over
de periode tot 1 september te komen.
b) Discussie over en vaststelling van de notitie: Van loopplank tot brug. (bijgevoegd)
Toelichting
Zoals bekend loopt binnen de Gemeente Groningen het bezuinigingstraject voor
2004. In dit kader heeft de Gemeenteraad na actie van o.a. BBOG en St.WING
een motie aangenomen, die globaal inhoudt dat er eerst in oktober een discussie
over het brede welzijnswerk moet worden gehouden en pas daarna een besluit
over de bezuinigingen kan vallen. In dit kader zal de wethouder zelf met een
stuk komen waarin o.a. een hoofdlijn wordt aangegeven m.b.t. de evaluatie van
Partners in Welzijn en van de uitvoering van de Accommodatienota: “Alle
Drempels Weg”.
De notitie: Van Loopplank tot Brug wordt wat het BBOG-bestuur betreft onze
bijdrage aan deze discussie,
waarin o.a. onderwerpen als de noodzaak van een basisvoorziening in alle wijken,
een besluitvormingsmodel
voor Partners in Welzijn op wijkniveau, de problemen in het jongerenwerk en
niet te vergeten de formulering van criteria voor maatschappelijk nuttige I/D-banen
aan de orde komen.
De Gemeenteraad zal in oktober een hoorzitting, een commissievergadering en
een Raadsvergadering over het onderwerp houden, waarna in november het besluit
over de bezuiniging en de begroting volgt.
4) Mededelingen
5) Eindronde.
6) Sluiting.
Met vriendelijke groeten,
Derk Jaap Bessem (secretaris BBOG).
Bijlagen:
- Bestuursnotitie van Loopplank tot Brug.
- Conceptverslag Klankbordgroep Accommodatiebeleid 2 september j.l.
- Verslag Klankbordgroep Accommodatiebeleid 3 juni j.l.
- “Gemeente moet niet bezuinigen, maar tegendraads subsidiëren” (ter
info m.b.t. aanloop naar de bezuinigingsdiscussie)
Derk Jaap Bessem,
secretaris
BIJLAGEN
? BEKNOPT HISTORISCH OVERZICHT SCW VANAF 1994
? GEMEENTE MOET NIET BEZUINIGEN, MAAR TEGENDRAADS SUBSIDIEREN, mei 2003
BIJLAGE 1
BEKNOPT HISTORISCH OVERZICHT SOCIAAL-CULTUREEL WERK VANAF
1994
1. Herstructurering
In 1994 is het sociaal-cultureel werk (SCW) geherstructureerd.
Naast een bezuiniging wil de gemeente ook tot een herverdeling
van middelen komen. Participatie van wijkbewoners dient te
worden bevorderd via invoering van een nieuwe methodiek. Wijkbewoners
bepalen zelf, aan de hand van hun wensen en behoeften, welke
inzet er zal zijn. De gemeente ontwikkelt een nieuwe structuur
met nieuwe rollen, de zogeheten WIG-driehoek. Wijk, Instelling
en Ge-meente komen in een nieuwe verhouding tot elkaar te staan.
Er worden 18 Wijkplatforms opgericht. Een afgesproken verdeelsleutel (urennormering),
be-paald per wijk, wordt de ureninzet van de werkers. Het Wijkplatform houdt
zich bezig met de vraag naar sociaal-culturele activiteiten met als centrale
opdracht: waaraan moeten de be-schikbare ondersteuningsuren worden besteed.
Bovendien is het Wijkplatform opdrachtgever van de enige aanbieder van SCW,
de stichting WING.
2. Eindevaluatie
Na een grondige eindevaluatie van het SCW bleek het gehele
systeem te ingewikkeld. Een paar conclusies uit deze eindevaluatie:
• geen van de beoogde doelstellingen is gehaald
• de gemeente is als toetser van de vraag in de zijlijn komen te staan
• het opdrachtgeverschap bleek voor het vrijwillige kader, de wijk, een
te zware opgave.
Daarnaast doet zich aan de kant van de uitvoerende instelling het volgende
probleem voor. Er is sprake van één aanbieder van sociaal-cultureel
werk, de stichting WING. Deze stichting is het product van een fusie van uiteindelijk
drie welzijnsinstellingen . WING heeft een mono-poliepositie in de stad vanwege
de gedwongen winkelnering.
De nieuwe stichting kent grote problemen, onder meer op het vlak van top- en
middenmana-gement, personeel (hoog ziekteverzuim), financiën, interne
organisatie en public relations. Bovendien is er schaarste aan kwalitatief
goed opgeleide jongerenwerkers.
De sombere slotconclusie van de eindevaluatie is dat na de
herstructurering de sociaal-culturele activiteiten in Groningen
in ernstige mate zijn teruggelopen. De onvrede onder de klant,
de afnemers van sociaal-cultureel werk, is groot. Dat heeft
een negatief effect op de motivatie van vrijwilligers.
3. Inzet op breed welzijn
Na de eindevaluatie stelt de gemeente met veel ambitie beleid
vast, dat inzet op het brede terrein van welzijn. Dit omvat
het SCW, Algemeen Maatschappelijk Werk, Juridische Dienstverlening,
Jongerenwerk en Jeugd Hulpverlening. De gemeente komt met het
Sociaal Structuur Plan (SSP) Over Groningers 2010. De doelen
zijn:
• het duurzaam vergroten van de leefbaarheid
• het bevorderen van arbeidsparticipatie
• het vergroten van sociaal-culturele participatie
• het bevorderen van integratie
Het SSP is onderdeel van de stadsvisie: ‘Groningen, het stedelijk alternatief’ die,
naast het SSP, als onderliggers heeft: het ruimtelijke fysieke plan De Stad
van Straks Extra en het eco-nomische businessplan Groningen werkt.
4. Een nieuwe subsidiëringsystematiek
Tegelijkertijd wil de gemeente wederom een nieuwe subsidiëringsystematiek
invoeren, het zogeheten ABC-model.
A is een algemeen deel gericht op het in stand houden van een goed stelsel
basisvoorzie-ningen.
B is gericht op specifieke groepen die zich niet zelfstandig kunnen redden
of voor een bepaalde situatie onvoldoende zijn toegerust.
C is gericht op innovatie en onderzoek om maatschappelijke problemen en probleem-groepen
te signaleren en om nieuwe oplossingsmethoden te ontwikkelen.
De gemeente wil inzetten op de B- en C-component. Aandachtsgroepen zijn:
• mensen met een minimuminkomen
• kinderen en jongeren met (dreigende) problemen aansluitend op het integraal
jeugdbe-leid
• mensen in de knel zoals dak- en thuislozen, (ex-)psychiatrische patiënten,
(ex )verslaafden, (ex-)gedetineerden
• dat deel van de culturele minderheden dat door een combinatie van problemen
niet in staat is aan de Groninger samenleving deel te nemen
Accenten zijn gelegd op gebieden en achterblijvende groepen met cumulatie van
economi-sche, fysieke en sociale problemen. De gemeente wil in deze groepen
extra investeren. Centra voor Werk en Inkomen zijn met dat doel opgericht.
Deze moeten ervoor zorgen mensen via ondersteuning van arbeidsmarkttrajecten
en sociale activering aan werk te helpen en te hou-den.
5. De consequenties voor het SCW
Het SCW is onderdeel geworden van het SSP. Voor het SCW verschijnt
een richtingennotitie Partners in Welzijn. Deze moet ingrijpende
gevolgen hebben voor de inhoud en organisatie van het welzijnswerk.De
notitie beschrijft de nieuwe positie, rol en verantwoordelijkheden
van de WIG. Wijkwelzijnsprogramma’s, tot stand gekomen
op basis van een dialoog tussen bewoners, instellingen en gemeente,
vormen het sturingsinstrument van de gemeente om tot middelenverdeling
te komen. Er zal een overstap gemaakt worden van het verstrekken
van langdurige subsidies naar het subsidiëren van resultaatgericht
werk (outputfinanciering).
Enkele verschuivingen in vergelijking met de vorige situatie:
• de markt staat open voor nieuwe aanbieders van sociaal-cultureel werk:
de gedwongen winkelnering is afgeschaft
• de WIG-driehoek zal op wijkniveau worden ontwikkeld
• vraagontwikkeling komt in de plaats van vraagsturing
• de gemeente herneemt een actieve en (bij)sturende rol: de gemeente als
regisseur
• de urennormering zal worden losgelaten
• er vindt outputfinanciering plaats volgens het ABC-model
6. De gemeente
Veel gemeenten in Nederland willen de afstand tussen overheid
en burger verkleinen. Aan-leiding daartoe is het volgende:
• de onmogelijkheid grip te krijgen op een meer en meer complexe samenleving
• de overheid die steeds meer in de positie van onderhandelaar wordt gedrongen
• het ontbreken van kennis van het microniveau
• de overheid ontbeert draagvlak voor haar vastgestelde beleid; dit stelt
weer vragen aan de legitimiteit van haar democratisch handelen.
De ambities van de gemeente Groningen zijn groot. In het SSP valt te lezen
dat de gemeente de kloof met de burger wil dichten via een activerende beleidsvoering
en via dienstverlening aan de burger. Deze gedachte staat haaks op de rolopvatting
van haar eigen ambtenarenappa-raat. Zij zien de overheid als bepalend en controlerend
en zo wordt ook de rol van regisseur opgevat. Zeker niet als dienstverlenend
aan de burger. Dit leidt telkens tot conflicten met mondige burgers, die heel
goed weten wat er nodig is.
BIJLAGE 2
GEMEENTE MOET NIET BEZUINIGEN MAAR TEGENDRAADS SUBSIDIËREN
Onlangs kondigde onze gemeente een nieuwe bezuinigingsronde
aan. De komende jaren dient ruim 11 miljoen euro te worden
bezuinigd. De vraag is of het verstandig is om in economisch
slechte tijden in welzijn te snijden. In dergelijke perioden
wordt immers een groter beroep gedaan op bijvoorbeeld sociaal-cultureel
werk, omdat de samenleving er dan meer behoefte aan heeft.
Alleen al door een stijgende baanloosheid zullen zich meer
deelnemers en bezoekers melden. Snijden in welzijnswerk lijkt
dan onherroepelijk cha-os tot gevolg te hebben. Het Buurtcentra
Besturen Overleg Groningen (BBOG) pleit voor het beschikbaar
stellen van meer gelden om zo de verwachte, toenemende vraag
op te vangen.
De tweede helft van de jaren tachtig zijn een goed voorbeeld
hoe de gemeente in tijden van recessie de kraan op het welzijnsterrein
meer en meer dicht deed. Dat dit de verkeerde actie op het
verkeerde moment was bleek uit de chaos die volgde. Het kinderwerk
verdween nage-noeg. Het allochtonenwerk werd helemaal stopgezet.
Het opbouwwerk dat vooral garant staat voor de samenhang in
de wijken, was vrijwel wegbezuinigd.
Begin jaren negentig was de maat vol. De gemeente startte
met visie, in samenwerking met wijken en instellingen, de herstructurering
van sociaal-cultureel werk. Bovendien wilde men een evenwichtige
subsidiemethode. Aan het eind van de negentiger jaren werd
de angel, par-ticipatie van de burger, uit het plan gehaald.
Andere kenmerken van deze periode zijn: het verlies van medezeggenschap
van de wijken, de kortingen op de stichting Welzijn in Gronin-gen
(WING) en het begin van een groeiende visieloosheid bij de
gemeente. Dit laatste waar-schijnlijk als gevolg van grote
interne problemen bij de Dienst OCSW.
Tegelijkertijd eist de gemeente en de landelijke overheid
meer en meer van buurt- en wijk-centra zonder daarbij financieel
tegemoet te komen. Zo bekostigen tegenwoordig de centra zelf
de cursussen sociale hygiëne en bedrijfshulpverlening
voor hun beheerders. De landelijke tabakswet heeft ernstige
invloed op de inkomsten van de centra. Bezoekers blijven weg
om-dat roken niet wordt toegestaan, terwijl dit in de horeca
wel mag. De gemeente stimuleert aan de ene kant het paracommercialisme,
zeg maar de verhuur van ruimte voor niet-sociaal-culturele
activiteiten, bijvoorbeeld bruiloften en partijen. Aan de andere
kant is er de horeca-wetgeving die dat terugdringt. Dan hebben
we het nog niet gehad over de afschaffing van het accres [spreek
uit: akkrè] (de loon- en prijscompensatie) voor welzijnsinstellingen.
Tel daar-bij op dat de gemeentelijke OZB-heffing naar 10% is
gestegen en het is niet moeilijk in te zien wat er in korte
tijd op de besturen van de buurt- en wijkcentra afkomt zonder
dat daar van gemeentewege iets tegenover staat. En het gaat
maar door. Burgemeester Wallage heeft instellingen deze week
laten weten hun gesubsidieerde werkers zelf maar in dienst
te nemen. Deze gesubsidieerde banen zijn bedoeld als additioneel
werk. Het is dus niet bedoeld als structureel noodzakelijke
arbeid. Toch is de afgelopen jaren het beheer in de buurt-
en wijk-centra voor een groot deel afhankelijk gemaakt van
deze additionele arbeid. De continuïteit van het voortbestaan
van buurt- en wijkcentra komt met de aankondiging van Wallage
ernstig in gevaar.
De groeiende visieloosheid bij de gemeente maakt dat bezuinigen
gemakkelijker door te voe-ren zijn dan bij een visie op sociaal-cultureel
werk die dient als fundament voor het gemeen-telijk beleid.
De gevolgen van visieloosheid zijn af te lezen aan de zwalkende
beleidsvoering. De eerste tekenen zijn er alweer. Het roer
moet voor de zoveelste keer om. Telkens wordt aangekondigd:
we gaan iets nieuws doen. Nu, net als in de tachtiger jaren,
ingegeven door bezuinigingen. De nieuwe ‘visie’ van
de gemeente lijkt te zijn: daar waar in de stad de nood het
hoogst is, zetten we middelen in. Eens in de zoveel tijd bekijken
we of we de periode gaan verlengen of elders in de stad moeten
inzetten. Je zou maar in de knel komen maar in de verkeerde
wijk wonen.
De gemeente lijkt met deze gedachte het zoveelste belangrijke
uitgangspunt voor sociaal-cultureel werk los te laten. Jarenlang
is met verve verdedigd dat iedere wijk werk moet kun-nen beschikken
over een basisvoorziening voor sociaal-culturele activiteiten.
Dit idee is ge-baseerd op het inzicht preventief te handelen,
zeg maar: in wijken is het beter knelpunten te voorkomen dan
te genezen. Preventie is overigens ook een van de pijlers van
het Sociaal Structuur Plan.
De gemeente lijkt nu ‘de hoogte van de nood’ als
criterium te kiezen. Vooraf wordt een aan-dachtsgebied aangewezen
waar de nood het hoogst is. Daar gaan dan onze middelen heen.
Gelukkig dat in de gezondheidszorg deze gedachte niet leeft,
anders zijn alle middelen be-stemd voor de begeleiding van
terminale patiënten.
Overigens, er heeft al eerder een beleidswijziging plaatsgevonden.
Behalve de idee van de basisvoorziening voor de wijk verdween
een ander belangrijk uitgangspunt: participatie van burgers,
vooral voor diegene die moeite heeft aansluiting te houden.
Participatie van de bur-ger was nog één van de
credo’s van het Sociaal Structuur Plan. Wanneer de gemeente
dit los-laat is het ook logisch dat daarmee de noodzaak van
een basisvoorziening voor iedere wijk vervalt. Daarmee is de
samenhang met het Sociaal Structuur Plan helemaal zoek. Bovendien
zal met het wegvallen van deze uitgangspunten het preventieve
werken ook verdwijnen. Dan kom je automatisch uit bij het nieuwe
uitgangspunt: het lenigen van nood in vooraf aangewe-zen aandachtsgebieden.
De verschuiving is duidelijk: niet meer aan de voorkant van
de pijp-lijn worden middelen ingezet, maar aan de achterkant.
Dit is al heel mooi zichtbaar te maken aan de hand van het Jongerenwerk. De
gemeente heeft de preventiegedachte losgelaten en denkt al enige tijd in
termen van opvang van jongeren ter bestrijding van de overlast. Een verschuiving
van doelgroepen is automatisch het gevolg. Meer en meer zwaardere jongerengroepen
worden naar de jongerencentra geleid. De jonge-renwerkers werken methodisch
nog met het uitgangspunt participatie van jongeren. Alleen passen zij dat
nu toe op de verkeerde doelgroepen. Met hun vraagverkenningen lopen ze dan
ook helemaal vast. Centraal staat nu de vraag naar de beheersbaarheid. De
druk op beheerders en jongerenwerkers in de centra is door de zwaarte van
groepen jongeren zodanig toegeno-men dat zij aan hun eigenlijke werk nauwelijks
toekomen. Regelmatig is de veiligheid van de werkers en de bezoekers in het
geding. Een terugkerende vraag is dan ook: ben ik nou jonge-renwerker of
politieagent? Hieraan is te zien dat het behoorlijk wringt. De gevolgen zijn
er ook: het gevaar van demotivatie van jongerenwerkers en toenemend ziekteverzuim.
De roep van besturen van deze centra om portiers die de beheersbaarheid van
de soosavonden garan-deren, klinkt luider en luider.
Opnieuw staan ons in een tijd van recessie zware bezuinigingen te wachten.
De tekenen dat de chaos in welzijnsland niet lang op zich laat wachten, dienen
zich aan. Trapt de gemeente in dezelfde valkuil als in de jaren tachtig? De
huidige knelpunten zullen dan nog schrijnender worden. Nieuwe knelpunten zullen
zich ongetwijfeld aandienen. Of hebben de politiek ver-antwoordelijken toch
nog de moed om deze keer anticyclisch te subsidiëren? De geschiedenis
heeft immers geleerd dat tijdens economische recessies het duurzaam investeren
op basis van een stevige visie op sociaal-cultureel werk goedkoper is dan over
een aantal jaren het repare-ren van de ontstane chaos.
Namens het Buurtcentra Besturen Overleg Groningen,
Coen van der Heijde,
voorzitter
Groningen, mei 2003
p.e.r.s.b.e.r.i.c.h.t.
Buurtcentra Besturen Overleg Groningen
Voorzitter: Coen van der Heijde
Gemeente moet niet bezuinigen maar tegendraads subsidiëren
Onlangs kondigde onze gemeente een nieuwe bezuinigingsronde aan. De komende
jaren dient 12 miljoen euro te worden bezuinigd. De vraag is of het verstandig
is om in economisch slechte tijden in welzijn te snijden. In dergelijke perioden
wordt immers een groter beroep gedaan op bijvoorbeeld sociaal cultureel werk
omdat de samenleving er dan meer behoefte aan heeft. Alleen al door een stijgende
baanloosheid zullen zich meer deelnemers en bezoekers melden. Snijden in welzijnswerk
lijkt dan onherroepelijk chaos tot gevolg te hebben. Het Buurtcentra Besturen
Overleg Groningen (BBOG) pleit voor het beschikbaar stellen van meer gelden
om zo de verwachte, toenemende vraag op te vangen.
De tweede helft van de jaren tachtig is een goed voorbeeld hoe de gemeente
in tijden van recessie de kraan op het welzijnsterrein meer en meer dicht deed.
Dat dit de verkeerde actie op het verkeerde moment was bleek uit de chaos die
volgde. Het kinderwerk verdween nagenoeg. Het allochtonenwerk werd helemaal
stopgezet. Het opbouwwerk dat vooral garant staat voor de samenhang in de wijken,
was vrijwel wegbezuinigd.
Begin jaren negentig was de maat vol. De gemeente startte met visie, in samenwerking
met wijken en instellingen, de herstructurering van sociaal cultureel werk.
Bovendien wilde men een evenwichtige subsidiëringsmethode. Aan het eind
van de negentiger jaren werd de angel: participatie van de burger, uit het
plan gehaald. Andere kenmerken van deze periode zijn: het verlies van medezeggenschap
van de wijken, de kortingen op de stichting Welzijn in Groningen en het begin
van een groeiende visieloosheid bij de gemeente. Dit laatste waarschijnlijk
als gevolg van grote interne problemen bij de Dienst OCSW.
Tegelijkertijd eist de gemeente en de landelijke overheid meer en meer van
buurt-en wijkcentra zonder daarbij financieel tegemoet te komen. Zo bekostigen
tegenwoordig de centra zelf de cursussen sociale hygiëne en bedrijfshulpverlening
voor hun beheerders. De landelijke tabakswet heeft ernstige invloed op de inkomstenderving
van de centra. Bezoekers blijven weg omdat roken niet wordt toegestaan, terwijl
dit in de horeca wel mag. De gemeente stimuleert aan de ene kant het paracommercialisme,
zeg maar de verhuur van ruimte voor niet sociaal culturele activiteiten, bijvoorbeeld
bruiloften en partijen. Aan de andere kant is er de horecawetgeving die dat
terugdringt. Dan hebben we het nog niet gehad over de afschaffing van het accres
(de loon- en prijscompensatie) voor welzijnsinstellingen. Tel daarbij op dat
de gemeentelijke OZB-heffing naar 10% is gestegen en het is niet moeilijk in
te zien wat er in korte tijd op de besturen van de buurt- en wijkcentra afkomt
zonder dat daar van gemeentewege iets tegenover staat. En het gaat maar door.
Burgemeester Wallage heeft instellingen deze week laten weten hun gesubsidieerde
werkers zelf maar in dienst te nemen. Deze gesubsidieerde banen zijn bedoeld
als additioneel werk. Het is dus niet bedoeld als structureel noodzakelijke
arbeid. Toch is de afgelopen jaren het beheer in de buurt- en wijkcentra voor
een groot deel afhankelijk gemaakt van deze additionele arbeid.De continuïteit
van het voortbestaan van buurt- en wijkcentra komt met de aankondiging van
Wallage ernstig in gevaar.
De groeiende visieloosheid bij de gemeente maakt dat bezuinigen gemakkelijker
door te voeren is, dan bij een visie op sociaal cultureel werk die dient als
fundament voor het gemeentelijk beleid. De gevolgen zijn af te lezen aan de
zwalkende beleidsvoering. De eerste tekenen zijn er al weer. Het roer moet
voor de zoveelste keer om. Telkens wordt aangekondigd: we gaan iets nieuws
doen. Nu, net als in de tachtiger jaren, ingegeven door bezuinigingen. De nieuwe ’visie’ van
de gemeente lijkt te zijn: daar waar in de stad de nood het hoogst is, zetten
we middelen in. Eens in de zoveel tijd bekijken we of we de periode gaan verlengen
of elders in de stad moeten inzetten. Je zou maar in de knel komen maar in
de verkeerde wijk wonen.
De gemeente lijkt met deze gedachte het zoveelste belangrijke uitgangspunt
voor sociaal cultureel werk los te laten. Jarenlang is met verve verdedigd
dat iedere wijk werk moet kunnen beschikken over een basisvoorziening voor
sociaal cultureel werk. Dit idee is gebaseerd op het inzicht preventief te
handelen, zeg maar in wijken is het beter knelpunten te voorkomen dan te genezen.
Preventie is overigens ook één van de pijlers van het Sociaal
Structuur Plan.
De gemeente lijkt nu ’de hoogte van de nood’ als criterium te kiezen.
Vooraf wordt een aandachtsgebied aangewezen waar de nood het hoogst is. Daar
gaan dan onze middelen heen. Gelukkig dat in de gezondheidszorg deze gedachte
niet leeft, anders zijn alle middelen bestemd voor de begeleiding van terminale
patiënten.
Overigens, er heeft al eerder een beleidswijziging plaatsgevonden. Behalve
het idee van de basisvoorziening voor de wijk verdween een ander belangrijk
uitgangspunt: participatie van burgers, vooral voor diegene die moeite heeft
aansluiting met de samenleving te houden. Participatie van de burger was nog één
van de credo’s van het Sociaal Structuur Plan. Wanneer de gemeente dit
loslaat is het ook logisch dat daarmee de noodzaak van een basisvoorziening
voor iedere wijk vervalt. Daarmee is de samenhang met het Sociaal Cultureel
Plan helemaal zoek. Bovendien zal met het wegvallen van deze uitgangspunten
het preventieve werken ook verdwijnen. Dan kom je automatisch uit bij het nieuwe
uitgangspunt: het lenigen van nood in vooraf aangewezen aandachtsgebieden.
De verschuiving is duidelijk: niet meer aan de voorkant van de pijpleiding
worden middelen ingezet, maar aan de achterkant.
Dit is al heel mooi zichtbaar te maken aan de hand van het Jongerenwerk. De
gemeente heeft de preventie gedachte losgelaten en denkt al enige tijd in termen
van opvang van jongeren ter bestrijding van de overlast. Een verschuiving van
doelgroepen is automatisch het gevolg. Meer een meer zwaardere jongerengroepen
worden naar de jongerencentra geleid. De jongerenwerkers werken methodisch
nog met het uitgangspunt participatie van jongeren. Alleen passen zij dat nu
toe op de verkeerde doelgroepen. Met hun vraagverkenningen lopen ze dan ook
helemaal vast. Centraal staat nu de vraag naar de beheersbaarheid. De druk
op beheerders en jongerenwerkers in de centra is door de zwaarte van groepen
jongeren zodanig toegenomen dat zij aan hun eigenlijke werk nauwelijks toekomen.
Regelmatig is de veiligheid van de werkers en de bezoekers in het geding. Een
terugkerende vraag is dan ook: ben ik nou jongerenwerker of politieagent? Hieraan
is te zien dat het behoorlijk wringt. De gevolgen zijn er ook: het gevaar van
demotivatie van jongerenwerkers en toenemend ziekteverzuim. De roep van besturen
van deze centra om portiers die de beheersbaarheid van de soosavonden garanderen,
klinkt luider en luider.
Opnieuw staan ons in een tijd van recessie zware bezuinigingen te wachten.
De tekenen dat de chaos in welzijnsland niet lang op zich laat wachten, dienen
zich aan. Trapt de gemeente in dezelfde valkuil als in de jaren tachtig? De
huidige knelpunten zullen dan nog schrijnender worden. Nieuwe knelpunten zullen
zich ongetwijfeld aandienen. Of hebben de politiek verantwoordelijken toch
nog de moed om deze keer anticyclisch te subsidiëren. De geschiedenis
heeft immers geleerd dat tijdens een economische recessies het duurzaam investeren
op basis van een stevige visie op sociaal cultureel werk goedkoper is dan over
een aantal jaren het repareren van de ontstane chaos.
Namens de BBOG,
Coen van der Heijde, voorzitter